Een Weidelijk Ethos

Categorie: Uncategorized (Pagina 1 van 2)

De weg van de Weidman: Deel 2

“Ethical Hunting is doing the right thing when no one else is watching, even if doing the wrong thing is legal.”

Aldo Leopold

Dit artikel is het originele, niet geredigeerde tweede deel van een tweeluik over het thema weidelijkheid, zoals ook gepubliceerd in De Jager, editie 9, september 2025. In dit artikel, zal de praktische toepassing van weidelijkheidsethiek worden behandeld. Tevens kunt u via de voetnoten de gebruikte literatuur terugvinden. Onder het kopje ‘bibliografie’ in de header van de website kunt u een uitgebreide literatuurlijst terugvinden.

In het eerste deel van dit tweeluik over weidelijkheid is de ontwikkeling van het weidelijkheidsbegrip uitvoerig besproken. Weidelijkheid omvat zowel wettelijke als morele regels, deels schriftelijk vastgelegd en deels ongeschreven. De conclusie van het eerste deel was dat weidelijkheid de ethisch juiste manier van de jachtbeoefening omvat, gebaseerd op een morele levenshouding en een bewuste levensstijl. Daarbij typeren beheersing, professionaliteit en verantwoordelijkheid de weidelijke jager. Op basis hiervan kan een voorlopige definitie worden gegeven van weidelijkheid:

Een onder jagers geldende private, ethische erecode die uit zowel uit wettelijke als morele, grotendeels ongeschreven principes bestaat, gebaseerd op specifieke waarden en normen die via rituelen, tradities en gebruiken tot uiting komen in het gedrag en gedachtegoed van de jager en die een product zijn van mentaal en fysiek bewust moreel handelen.”1

In dit tweede essay zal dieper worden ingegaan op de uitingsvormen van weidelijkheid bij de praktische beoefening van de jacht. Daarbij worden grofweg drie domeinen aangehouden waarop weidelijkheid van toepassing is, namelijk:

  • de natuurlijke omgeving
  • het wild
  • de medemens
Afbeelding 1: Fair Chase.
(illustratie door Leigh Guldig in The New York Times, 22 juni 2018).

Ecosysteem-breed

Weidelijkheid is niet zomaar een set regels die de jager moet leren navolgen, het is een specifieke manier van denken die moet worden geleefd en gevoeld. Weidelijk denken komt voort uit de liefde die de jager koestert voor de gehele biosfeer en alle levende wezens daarbinnen.2 Als die liefde er niet is, dan is het de vraag of een jager überhaupt weidelijk het veld ingaat.

Weidelijk jagen gaat over verbonden zijn met het ecosysteem en de grond waarop je jaagt. Menselijk handelen veroorzaakt, bewust en onbewust, schade aan de leefomgeving en de natuur. Een belangrijk doel weidelijkheidsdenken is het inperken van menselijk handelen, waarmee schade deze kan worden voorkomen. Dat vraagt om kennis en inzicht.3 De jager moet kennis opdoen van het wild en de gedragingen van de dieren, de seizoenen, wildhygiëne, landbouw en alle aspecten die samenhangen met het uitoefenen van duurzaam wildbeheer. De weidelijk jager neemt verantwoordelijkheid voor het jachtveld en voor de keuzes die gemaakt worden in het veld. Veel gevolgen van die keuzes zullen niet op korte termijn zichtbaar zijn en veel ontwikkelingen in het veld spelen zich af buiten het directe blikveld van de jager. Het overmatig bejagen van predatoren kan leiden tot grote veranderingen in het ecosysteem en een ziekgeschoten dier dat wegkomt sterft buiten de beleving van de jager een ellendige dood.4

De jager moet ecosysteem breed denken. Weidelijkheid gebied om meer te doen dan actief jagen. Weidelijke jagers zetten zich in voor duurzaam beheer in hun jachtveld en zorgen voor biodiversiteit in het veld door bijvoorbeeld goed biotoopbeheer en samenwerking met agrariërs en natuurbeheerders. Denk hierbij aan het aanleggen van bloemenrijke akkerranden en wildakkers, snoeiwerkzaamheden, het uitvoeren van wildtellingen, ecologisch verantwoord maaien, het opsporen van nesten en reekalveren voor de uitvoer van agrarische werkzaamheden en het samenwerken in de reductie van invasieve soorten.

De grootste invasieve soort is de mens zelf. Flora en fauna hebben rust en ruimte nodig en het is belangrijk dat de jager zich hiervoor inzet in het veld. Enerzijds door zelf niet doorlopend in het veld aanwezig te zijn, vooral niet met voertuigen, en anderzijds door bijvoorbeeld het gesprek aan te gaan met recreanten in het buitengebied die hun bezigheden uitoefenen buiten de wandelpaden. Ook zal een weidelijke jager veldinrichtingen, zoals hoogzitten en jachthutjes, zo veel mogelijk aanpassen aan de omgeving, zodat deze niet verstorend werken. De weidelijke jager past zich dus aan het landschap en het wild aan, niet andersom.5

Weidelijke jagers zorgen voor een goede wildstand en schieten alleen waar en wanneer dat nodig is. Zieke en zwakke dieren en invasieve exoten worden daarbij vaak eerder geschoten dan jonge, gezonde dieren. Uiteraard worden geen afval, patronen, hagelproppen of kogelhulzen achtergelaten. Het gebruik van bio-afbreekbare munitie krijgt steeds meer navolging in Nederland, een goede ontwikkeling in dit opzicht.

Passie en beheersing

Jagd is Leidenschaft”, oftewel: “Jacht is passie,” is een leuze die in Duitsland en Oostenrijk door veel jagers en jachtorganisaties wordt gebruikt. ‘Jachtpassie,’ wordt bij jachthonden vaak aangeduid als de drang om te jagen, maar in de context van ‘Leidenschaft’ betekent passie dat jacht meer is dan die drang; het is een manier van leven met specifieke opvattingen, gebruiken en tradities. Jagen gaat niet om het schieten of het doden van het wild, het gaat om het opdoen van ervaringen en bewust deel te nemen aan de natuur.6 Het enthousiasme van de jager en de drang om te jagen worden gereguleerd en ingeperkt door de weidelijkheidsregels. De jachtpassie moet ondergeschikt zijn aan goed faunabeheer. Weidelijkheid vraagt om voortdurende reflectie, de jager denkt na over zijn handelen en beperkt zichzelf bewust uit liefde en passie voor het wild en de natuur. Hier krijgt ’passie’ dus een heel andere betekenis. Een weidelijk jager wil zich intrinsiek inzetten voor de natuur en het wild. Uiteraard moet de jager wel de intentie kunnen hebben om te doden om ook daadwerkelijk gejaagd te hebben, maar het doden van dieren is geen doel op zichzelf. Als er uiteindelijk geschoten kan worden, dan moet dit veilig en verantwoord gebeuren, zonder onnodig lijden te veroorzaken. Wederom: de jager neemt hier de volle verantwoordelijkheid voor zijn acties!7

Afbeelding 2: Respect voor het wild.

Wettelijk en veilig

Vuurwapenbezitters hebben in Nederland een uitzonderingspositie binnen de wet. Zij mogen een vuurwapen dragen. Jagers hebben nog eens het bijzondere privilege dat ze een vuurwapen mogen dragen in het vrije veld. Dat verplicht hen om zich op een juiste wijze op te stellen ten opzichte van de samenleving, zowel tijdens de jacht als daarbuiten. Uiteraard volgt de weidelijke jager de geschreven jachtwetten en jaagt binnen de jachtseizoenen en de aangewezen periodes voor schadebestrijding op de aangewezen wildsoorten. Daarbij worden strenge veiligheidsregels in acht genomen.

Er zijn echter een hoop ongeschreven weidelijkheidsprincipes die niet in de wet zijn opgenomen. Ze zijn vaak afhankelijk van de plaatselijke context en omstandigheden. Hier doet weidelijkheid een beroep op de morele houding van de jager. Hierbij is de stelregel: “Omdat iets wettelijk mag, betekent het niet dat dit ethisch verantwoord is!”8

Enkele voorbeelden. Het schieten van een hoogdrachtige reegeit is weliswaar praktisch en wettelijk toegestaan, maar moreel gezien erg twijfelachtig. Het schieten van een moederdier met een jong dier erbij is niet wettelijk verboden, maar weidelijk gezien is het verwerpelijk. Er zijn vaak genoeg alternatieven, zoals het schieten van een zwak of ouder dier. Denk bijvoorbeeld ook aan de ganzenjacht. In het kader van schadebestrijding mag de jager vrijwel onbeperkt schieten op schadeveroorzakende ganzen. Dat betekent echter niet dat alle ganzen die binnen schot komen moeten worden geschoten! Schadebestrijding op wilde zwijnen met technologische voordelen, zoals het gebruik van warmtebeeldrichtkijkers of het schieten vanuit een voertuig is soms toegestaan. Maar is het eerlijk ten opzichte van het wild? Is het weidelijk? Stuk voor stuk zijn dit ethische vraagstukken waarbij een weidelijk jager te rade moet gaan bij zichzelf en zijn eigen morele kompas, toegepast op een specifieke situatie in een specifieke context. Wat zou u doen en kunt u dat voor uzelf verantwoorden?

Edel wild, eerlijke kans.

Uit de bovenstaande voorbeelden blijkt dat het voorkomen van onnodig lijden bij het wild erg belangrijk is binnen het weidelijkheidsdenken. Dat lijden kan primair zijn door een slecht geplaatst schot, maar ook secundair door bijvoorbeeld het verlies van een soortgenoot of ouderdier. Ook het laten lopen van een sterk verzwakt of verouderd dier terwijl dit beter geschoten kan worden, veroorzaakt onnodig lijden.

De respectvolle omgang met het wild is vanzelfsprekend het allerbelangrijkste aspect van weidelijkheid. Uiteindelijk jaagt men om te zorgen voor betere leefomstandigheden voor zowel het wild als de omgeving. Daartoe zal een weidelijk jager de dieren in het veld goed observeren, de sociale verhoudingen tussen de dieren proberen te begrijpen, juiste en volledige wildtellingen uitvoeren, het wild verzorgen door bijvoorbeeld de aanleg van wildakkers en rustplaatsen en uiteindelijk genieten van de ontmoetingen met de levende wilde dieren. Dat vergt wederom veel beheersing, kennis en kunde.

De jager weet waarop hij schiet en maakt bewust de keuze om een specifiek dier te schieten in het kader van goed faunabeheer. Daarbij gelden verschillende ongeschreven weidelijkheidsregels, bijvoorbeeld: vliegwild schiet je vliegend, lopend wild terwijl het loopt en grofwild wanneer het stilstaat. Jonge dieren en niet-vliegvlug veerwild worden gespaard. Het dier wordt juist ‘aangesproken’ alvorens de jager tot schot komt. Hij is zich hierbij bewust van de gevolgen van het schot. Primair lijden veroorzaakt door het handelen van de jager ligt voornamelijk bij het ondoeltreffend raken van een dier. Daarom moet een jager geoefend zijn met het wapen dat gebruikt wordt en zijn eigen tekortkomingen bij het schieten erkennen.

De weidelijke jager gebruikt juiste munitie en schiet alleen wanneer het schot doeltreffend kan worden geplaatst met een snelle dood van het dier tot gevolg. One shot, one kill. Schieten op te grote afstanden is daarom risicovol, tenzij het wapen en de kunde van de jager zulke schoten toelaten. De weidelijke jager kiest bij grofwild altijd voor het bladschot, zodat het dier bij een goede treffer direct of kort na het schot sterft. Na het schot is het dier vaak in shock en zal dan ook minder pijn ervaren.

Kopschoten dienen in het kader van weidelijkheid te worden vermeden. Niet alleen brengt een kopschot het risico van een vreselijke verwonding met zich mee als het dier het schot overleeft, het is in veel jachtculturen ook nog eens een taboe.9 De ogen en het gezicht van het dier worden gezien als iets sacraals, de jager moet het dier immers van aangezicht tot aangezicht aankijken, er is wederzijdse symmetrie tussen de jager en zijn prooi. Daar komt dan ook de term ‘aanspreken’ vandaan. De jager gunt zijn prooi een laatste blik op de wereld, zo stelt filosoof Byung-Chul Han. Die laatste aanblik, ook wanneer een gestorven dier ritueel in bezit wordt genomen vanuit de natuur, is van de jager.

Komt het schot toch verkeerd af, dan zal de jager alles in het werk stellen om het dier zo snel mogelijk op te sporen en uit het lijden te verlossen, ook als kost dit vele uren! Een weidelijke jager zal altijd beschikken over een goede hond voor de nazoek en anders in ieder geval in contact staan met een goede, beschikbare nazoeker en zweethond. De jacht is pas voorbij als alle beschoten dieren en alle nazoekende honden en jagers binnen zijn.

Afbeelding 3: Letzter Bissen.

Een ander aspect van weidelijkheid is het fair chase-principe: het wild een eerlijke kans gunnen om te ontsnappen.10 Dieren worden niet ingesloten of in het nauw gedreven. Zelfs bij druk- en drijfjachten moeten dieren uit de drift kunnen ontsnappen als ze snel en slim genoeg zijn. Bij de aanzitjacht zijn de dieren in het voordeel, omdat ze als vlucht- of roofdier beschikken over beter zintuigen dan de jager. Is de jager niet stil genoeg of de dieren krijgen lucht van de jager, dan kunnen ze vluchten. Tegenwoordig beschikt de jager over allerlei hulpmiddelen om effectiever te jagen. Waar men vroeger grofwild bejoeg bij maanlicht, heeft de jager tegenwoordig beschikking over nachtzichtapparatuur. Is dat weidelijk? Krijgt het wild een eerlijke kans? Weidelijkheid gebiedt de jager immers om zichzelf op dit gebied te beperken en zich niet superieur op te stellen ten opzichte van het dier.

In dit geval helpt nachtzichtapparatuur wel om een dier beter aan te spreken en te identificeren, wat de weidelijkheid ten goede komt. Het gebruik van thermische richtkijkers is in het kader van weidelijkheid problematischer. Waar de jager met een nachtzichtkijker nog steeds een goed oog voor het wild nodig heeft om dieren te herkennen, gunt de warmtebeeldkijker de jager een enorm voordeel op het wild. Dieren kunnen zich niet meer verstoppen in de dekking en zijn erg makkelijk waar te nemen. Kunnen we bij het gebruik van warmtebeeldkijkers nog wel spreken van weidelijk handelen? Verwordt het jagen niet van een vaardigheid die kennis en kunde vergt tot een kunstje voor de jager met het duurste speelgoed? Die vraag leg ik bij u neer.

Eerbied na het schot

Is het dier geschoten, dan gaat een weidelijk jager er met respect mee om. Met een geschoten dier wordt niet gegooid, men stapt niet over het wild heen en men probeert het zo respectvol mogelijk te vervoeren. Kleinwild, gevogelte en reeën moeten bijvoorbeeld niet worden gesleept. Zoals de Oostenrijkse jachtauteur Dr. Michael Sternath stelt: “Als je het dier kunt schieten, dan kun je het ook dragen.”11 Een wild zwijn daarentegen kan bijvoorbeeld het best op een wildslee worden vervoerd.

Ook het toepassen van de juiste jachtrituelen, zoals de letzter bissen, de breuken en het tableau spelen een grote rol bij weidelijk handelen. Het dier ligt op de rechterzijde, met het hart en de linkerzijde naar de hemel. De linkerzijde wordt in veel culturen als ‘minder’ of ‘onrein’ beschouwd, waar de rechterzijde juist de ‘goede’ of ‘mooie’ kant is. Het dier blijft, tot de jager het in bezit neemt, met de mooie kant verbonden met de aarde waarop het geleefd heeft. De jager draagt traditioneel gezien het geweer ook over de linkerschouder en brengt een heildronk uit met de linkerhand, de minder goede kant die met de dood verbonden is als teken van verzoening.12

Het blazen op een jachthoorn, ook wanneer een jager alleen in het veld is, zorgt voor een bijzondere vorm van verdieping. Zijn er andere jagers bij, dan nemen zij hun hoed af. Is er een zweethond aan te pas gekomen om het dier op te sporen, dan krijgt deze een deel van de buitbreuk. Jachtauteur Magometschnigg stelt dat een weidelijk jager altijd over een hoofddeksel moet beschikken waar een buitbreuk op kan worden geplaatst. De jager zal zichzelf overigens niet smukken met vreemde veren en dus geen breuken, veren, of wildbaarden of – borstels op zijn hoed dragen van dieren die hij niet zelf geschoten heeft. In mijn artikel over jachtrituelen (aprilnummer 2025) is te lezen dat dit soort rituelen vooral bedoeld zijn om op een juiste manier om te gaan met het wild en de medejagers en hoe ze vormend zijn voor de jagersgemeenschap. Ze zijn daarmee een expliciete uiting van weidelijk handelen. Een weidelijk jager heeft ontzag voor het offer van het geschoten dier (offer komt van ‘sacrificium’, ofwel ‘het voortbrengen van heilige dingen’) en zal dan ook met respect en dankbaarheid zo veel mogelijk van het dier gebruiken als voedsel en materiaal.13

Afbeelding 4: Het wild benutten in dankbaarheid

Medemenselijkheid

Tenslotte is er het derde weidelijkheidsdomein: de medemens. Een weidelijk jager stelt zich hoffelijk op ten opzichte van andere jagers, grondgebruikers, terreinbeheerders, natuurrecreanten en de samenleving in het algemeen.14 Hij respecteert de grond waarop hij jaagt en de mensen die er leven. Hij zal andermans eigendommen niet beschadigen of asociaal gedrag vertonen door bijvoorbeeld hard te rijden op de wegen rond het jachtveld of door ruzies aan te gaan met anderen.

Een weidelijk jager zal zo een fatsoenlijk beeld van de jacht uitdragen en hoeft zich niet te schamen om over de jacht te praten. Meningsverschillen, zowel met medejagers als met tegenstanders van de jacht, moeten op een degelijke wijze worden besproken. Het gaat er niet om de ander te overtuigen, een weidelijk jager kan immers op basis van zijn eigen morele kompas en diepgaande kennis voor zichzelf verantwoorden waarom hij jaagt.

Een weidelijk jager respecteert niet alleen de mening van een ander, maar ook de grenzen van het jachtveld en van andere jagers. Hij gunt medejagers hun jachtsucces en gunt hen op jacht ook eerlijke kansen om tot schot te komen. Aanwijzingen van de jachtleider worden strikt opgevolgd en een weidelijk jager bedankt ook altijd degene die hem voor de jacht uitnodigt.

Ook op de sociale media, waar digitaal geschreeuw en moddergooierij aan de orde van de dag zijn, dient een weidelijk jager zich coulant op te stellen. Denk daarbij ook aan beeldetiquette, veel mensen zitten bijvoorbeeld niet te wachten op foto’s van dode dieren op hun beeldscherm. Kemperman hanteert de stelregel: “Zou je deze foto aan je collega’s of aan kinderen laten zien?” Is het antwoord “Nee”, dan is het waarschijnlijk geen geschikt beeld om in het openbaar te delen.

Uit de lengte van dit essay blijkt maar weer dat weidelijkheid een diepgaand en uitgebreid thema is, dat constant in beweging is en altijd sterk afhankelijk is van de ruimtelijke en sociale context. Weidelijkheid scheidt de jagers van de ‘schieters.’ Het scheidt pragmatiek van bezieling.  Het is een rituele uiting die, om met de woorden van Kierkegaard te spreken, een vorm is van ‘voorwaarts herinneren.’ Het is een complex geheel van fatsoensnormen, rituelen, wetten en regels die vanuit onze jachtpassie en -traditie de leidraad zijn voor een ethisch verantwoorde en houdbare manier van jagen, in mijn ogen de enige juiste manier van jagen.


  1. Definitie door auteur. ↩︎
  2. Moling 2020, Vitali 2010. ↩︎
  3. Ortega y Gasset 1972. ↩︎
  4. Kowalsky 2010, Moling 2020. ↩︎
  5. Herberstein et al 2008. ↩︎
  6. Kowalsky 2010, Leopold 1989. ↩︎
  7. Herberstein et al 2008, Moling 2020, Kover 2010, Kowalsky 2010. ↩︎
  8. Leopold 1989, Thomas 2022. ↩︎
  9. Zie o.a. Han 2025. ↩︎
  10. Moling 2020, Vitali 2010. ↩︎
  11. Herberstein et al, 2008. ↩︎
  12. Magometschnigg 2008. ↩︎
  13. Han 2025. ↩︎
  14. Kemperman 2021. ↩︎

Hoe willen we (nog) jagen?

Mijn vorige blog over beeldetiquette wordt ineens weer actueel in de sociale media. In de Duitse jachtmedia is een filmpje rondgegaan over een jager die empathieloos met een jachthond omgaat. De precieze details doen er niet toe, wel het feit dat dit filmpje veel stof doet opwaaien over de manier waarop jagers zichzelf presenteren in de sociale media. Veel jagers vragen zich in reactie op het filmpje openlijk af wat de meeste jachtkanalen op de sociale media überhaupt nog met ‘weidelijke jacht’ te maken hebben.

Ze snijden hier een heikel punt aan, maar mijns inziens geheel terecht! De meeste ‘grote’ jachtkanalen en -pagina’s, met een groot aantal online-volgers, zijn vooral pagina’s die beheerd worden door influencers. Er ontstaat een cultuur van in scene gezette ‘jachtmomenten’ waarbij het vooral lijkt te gaan om sponsoring van wapens, kleding en uitrusting en die vaak zelfs lijkt op een vorm van zelfverheerlijking. Er zit een businessmodel achter dat niets met weidelijke jacht, of zelfs met jagen an sich, te maken heeft.

Anderzijds zijn er de pagina’s die beelden tonen zonder beeldetiquette, waarop vooral tableaufoto’s en trofeefoto’s de overhand hebben. Een tableau met tientallen dode ganzen of reeën, filmpjes van dieren die onprofessioneel getroffen worden, vaak beschoten vanaf grote afstand, filmpjes van jagers die respectloos met het wild en met honden omgaan of zelfs van jagers die vooral op het schieten van zo veel mogelijk wild gefixeerd zijn. Om nog maar te zwijgen over de jagers die van de nazit een groot drinkgelag maken. Ook zijn er beelden van mensen die op het geschoten wild zitten of die delen van het wild gebruiken om ‘grappige’ foto’s te maken. Het zijn allemaal voorbeelden waarvan ik, en velen klaarblijkelijk met mij, me afvraag: “Wat doet deze verschrikkelijke rotzooi überhaupt op de sociale media? Is dit het beeld van de jacht dat we willen uitdragen richting de niet-jagende buitenwereld?” Zoals de oosterburen het zeggen: Het is zum kotzen.

In Nederland klagen de meeste jagers intussen steen en been over het slinken van de jachtmogelijkheden, het verdwijnen van dieren van de wildlijst en de opmars van de “linkse, woke dierenbeschermers”, terwijl ze zichzelf juist distantiëren van de publieke opinie door het gebruik van jargon, grof taalgebruik, polarisatie, kortzichtige aannames en het haast recalcitrant delen van ongepaste beelden op de sociale media. In Nederland maken we onderscheid tussen de jacht enerzijds en schadebestrijding anderzijds. Vooral bij schadebestrijding lijkt in de sociale media het motto ‘kwantiteit boven kwaliteit, ofwel: hoe meer dieren we kunnen schieten, hoe beter’, te zijn. Misschien moeten we niet vingerwijzen en niet stilletjes de aftocht blazen en proberen in het buitenjacht te gaan jagen, maar juist meer focussen op weidelijk en verantwoord jagen binnen Nederland, ook bij schadebestrijding! Alleen op die manier kunnen we, als jager zijnde, de jacht geloofwaardig overbrengen aan andere jagers en ook aan de niet-jagers.

Ik blijf me dus inzetten voor een terugkeer naar meer weidelijkheid en het gebruik van jachttradities en -rituelen. Als jagers moeten we op een bewuste en verantwoorde manier jagen, gebaseerd op liefde voor de natuur en het wild. Jagen is geen pragmatisch middel, het is een diepgewortelde manier van leven. Of zoals Markus Moling stelt in zijn boek ‘Wie wir jagen wollen‘: als jagen niet weidelijk is, dan is het ook geen jagen meer.

Dode Dieren

Ik krijg van bekenden wel eens de vraag of ik eigenlijk wel eens iets heb geschoten de laatste tijd. Ze hebben er immers nooit een foto van gezien op de sociale media. Op mijn Instagram zien ze meestal alleen foto’s van levende dieren of van het klaargemaakte wild, een stukje vlees op een bord. Als ze toch een foto willen zien van het daadwerkelijk geschoten dier, dan laat ik ze die liever persoonlijk zien en dan vertel ik ook graag het verhaal dat erbij hoort. Hoe het dier geschoten is en waarom. En uiteraard over de jachtdag zelf en over wat daar allemaal gebeurde.

Als jager wil ik een eerlijk en open beeld geven van wat ik doe en van wat mij motiveert. Om meer inzicht te verschaffen aan mensen die de jacht niet kennen, maar ook om mijn eigen visie op de jacht en de levende wereld uit te dragen en anderen wellicht te inspireren. Vandaar ook dat ik deze weblog ben gaan schrijven. Toch vermijd ik het delen van foto’s van het tableau of trofeefoto’s. Op mijn Instagram kom je die dan ook weinig tegen. En als je ze tegenkomt, dan zijn het foto’s waarop respect voor het dier centraal staat. Waarom deze keuze?

Ten eerste vind ik persoonlijk dat ik deze foto’s niet altijd hoef te maken en/ of delen. Ik maak uiteraard foto’s als persoonlijke herinnering aan het dier en aan de jachtdag, maar die zijn vooral voor mijzelf bedoeld. Het doden van het dier is iets tussen mij en het dier, een moment van bespiegeling en van bezinning. Ik respecteer het dier waarop ik jaag, ik ga er dan ook niet zomaar foto’s van het internet op slingeren. We posten immers uit respect ook niet zomaar foto’s van dode mensen en dieren op de sociale media. Daar zit niemand op te wachten. Vanochtend openende ik mijn Instagram account en het eerste dat het algoritme voorbij liet komen was een filmpje van een wild zwijn dat werd geschoten tijdens een drukjacht. Dat vind ik persoonlijk erg onsmakelijk, het overvalt me dan echt op zo’n moment.

Dat brengt me bij het tweede punt: het merendeel van mensen die door hun digitale ‘feed’ scrollen zien niet graag een herkenbaar dood dier voorbij komen. Ik overigens ook niet! Dat heeft niks te maken met een oneerlijk beeld over de jacht schetsen, maar met beeldetiquette, inlevingsvermogen en deugdelijk fatsoen. Een foto met een lachende jager die bij 40 geschoten dieren staat met daaronder een onderschrift als “Geslaagd ochtendje schadebestrijding”, strijkt veel toeschouwers begrijpelijkerwijs tegen de haren in. De bessenteler die van de schade af is, is misschien blij. De schutter is misschien blij met zijn of haar schietkunsten. Maar een werkcollega of kennis die even door zijn apps scrollt en dit beeld ziet langskomen, ziet er waarschijnlijk iets heel anders in.

Een tableau leggen maakt deel uit van de weidelijke jachttraditie. Aan het einde van de jachtdag worden de geschoten dieren naast elkaar gelegd met het hart richting de hemel, dus op de rechterzij.1 De jagers plaatsen een afgebroken tak, de breuk, op het lichaam van de dieren en steken een een takje in de bek, de laatste beet. Iedereen neemt zijn hoed af, de jachthoornblazers spelen als eerbetoon aan het wild. Ook hier draait het om respect en bezinning. Een stukje reflectie en introspectie. Een foto van een tableau kan  zonder deze context echter al snel overkomen als een ‘overzicht van dode dieren.’ Vaak hebben ze een snee in hun buik, ze zijn ontweid. Dat wil zeggen dat de ingewanden verwijderd zijn om bederf van het vlees tegen te gaan. Dit kan er echter crue en aanstootgevend uitzien, vooral als je niet begrijpt waar je naar kijkt. Het is daarom belangrijk dat zulke beelden, ook wanneer ze in de algemene media worden gepubliceerd, voorzien zijn van de juiste context.

Dan zijn er ook nog de zo gewraakte ‘trofeefoto’s’, waarop een dood dier ligt met daarnaast de schutter en zijn of haar wapen en soms ook de hond. Voor de niet geïnitieerden lijkt het alsof de jager een soort overwinning op het dier vastlegt. Vaak gaat het echter om een aandenken aan de jacht, naar mijn mening ook iets persoonlijks. Wanneer de foto bedoeld is als pronkstuk of als een uiting van bewijsdrang, dan hoor je hem naar mijn mening niet openlijk te delen. Beter is dan bijvoorbeeld een foto van de verschoten kogelhuls, al dan niet met een breukje erin, een foto van de buitbreuk of een close-up foto van een stukje vacht, veren of gewei.

Ook de manier waarop zo’n foto gedeeld wordt kan veel verschil maken. Het boek ‘Jägerbrauch, Gelebtes und Überlebtes in der Jagd‘, zo ongeveer mijn ‘jachtbijbel’, legt uit hoe een respectvolle foto eruit ziet.2 Het dier ligt op de juiste zij met de laatste beet in de bek. De jager en/of de hond kunnen erbij staan in een respectvolle houding (bijvoorbeeld hand op het dier, hoed in de hand, ingetogen). Het geweer hoort niet op of tegen het dier aan te liggen, het is immers deel van de jager en niet van het dier. Vaak lachen mensen op de foto, dat lijkt voor velen onbegrijpelijk. Soms zie je ook ‘trofeefoto’s’ waarop de jager huilt. Jagen en het doden van een dier roepen diepe emoties op. Opluchting na een lange tijd jagen op een dier of na een goed geplaatst schot, de spanning van het jagen die tot ontlading komt, de trots op het harde werk van een nazoek en het werk met de hond, de tevredenheid over het binnenbrengen van een ziek of gewond dier en ook de realisatie over de broosheid van het leven, onze plek in de wereld en onze eigen sterfelijkheid. Het zijn emoties die je terug kunt zien in een oprechte en respectvolle foto.  Ikzelf kijk meestal als een boer met kiespijn op een foto waar ik met een geschoten dier op sta. Je ziet daarin de ambivalentie van de jacht terug. Ik weet wat ik doe en waarom, maar het doden van het dier zelf is nooit ‘leuk’ of ‘fijn’.

Ik hoop met mijn verhalen een goed beeld te schetsen van wat jagen voor mij betekent. Het beeldverhaal speelt daarin ook een belangrijke rol. Open en eerlijke communicatie en transparantie zijn altijd belangrijk, maar vooral wanneer we iets doen dat veel en sterke emoties oproept, zoals jagen. We moeten als jager een duidelijk en eerlijk beeld schetsen van wat we doen, maar we moeten ons daarbij wel houden aan beeldetiquette en ons gezond verstand gebruiken. En we moeten altijd kunnen verantwoorden wat we doen en waarom, zo ook bij het plaatsen van foto’s. Smaakvolle foto’s die het respect en de bewondering uitdragen die wij als jagers hebben voor de levende wereld om ons heen kunnen daar zeker aan bijdragen. Een foto is zonder duidelijke context echter ook makkelijk verkeerd te interpreteren. Vandaar mijn persoonlijke voorkeur om het delen van tableaufoto’s en foto’s van dode dieren op de sociale media te beperken.

  1. Met uitzondering van roofwild. ↩︎
  2. Herberstein et al, 2008. ↩︎

Bidden in de bossen

Eind November. De tijd van de gezelschapsjachten, van Sinterklaas en de donkere dagen voor kerstmis. De advent staat voor de deur, voor mij als katholiek de belangrijkste tijd van het jaar. Wachten op de terugkeer van het licht. Ik kan me dan ook soms ergeren aan mensen bij wie de kerstboom al vanaf eind oktober in huis prijkt, ver vóór de advent. Vaak mensen die wel kerstmis vieren, maar ontdaan van religieuze of spirituele inslag. Voor mij voelt die vorm dan als een hol feest van commercie. Enfin, ieder zijn godsbegrip. Het is in elk geval mooie symboliek. De winterzonnewende: hoop in het duister.

Veel jagers kennen het wellicht. Bibberend op de koude hoogzit wachten in het donker. Vol verwachting wachten op de prooi, die wellicht niet komen gaat. Wachten tot de ochtend gloort, tot de zon warmte brengt. En als ze daar zo zitten komen ze tot inkeer. De stilte van het bos, de nachtelijke roep van de bosuil tussen de duistere stammen; het maant de jager tot reflectie, het is meditatief. Gedachten komen op en ebben weg, rust in het hoofd. De jager voelt zich langzaam één zijn met de gehele natuur der dingen. Dit is zijn gebed en daarin ontmoet hij het goddelijke. In de stilte van de geest.

Niet voor niets zeiden mijn moeder en mijn opa zaliger altijd: “Je kunt het beste bidden in de bossen.” Daar ervaar je wat het boeddhisme ‘interbeing’ noemt, één zijn met je en met de natuur. Bioloog Midas Dekkers stelt dan ook dat je, om God te willen begrijpen, niet per definitie theoloog hoeft te zijn. Eerder moet je bioloog zijn, kijken naar hoe de natuurlijke wereld in elkaar steekt. Het is zo vanzelfsprekend, maar ook wonderlijk hoe de wereld op natuurlijke wijze werkt. De jager heeft ook het voorrecht om verbonden te zijn met zo’n natuurlijke staat van zijn, hij zit in het bos op de eerste rij.

Waar ik vaak bid tussen de zware pilaren van mijn parochiekathedraal, in het licht van glas in lood, zo bid ik ook tussen de stammen in het bos terwijl zonneharpen door het bladerdak vallen. Afgelopen week nog was ik in het Limburse Munnichsbos, in mijn geboortestreek, samen met mijn vader die daar vroeger heeft gejaagd. Daar ligt letterlijk ‘de kathedraal’, een eeuwenoud bos waarin rijzige beuken met hun herfstbladeren een uiting zijn van natuurlijke gotiek. Ik dacht aan mijn overleden moeder, aan de schoonheid en de eindigheid der dingen, aan dankbaarheid voor datgene dat ik heb en aan de komende adventstijd.

Stel u mijn verwondering voor toen ik plots opmerkte dat iemand, heel frappant, de naam “Jesus” in graffiti heeft achtergelaten op één van de stervende beuken…

Ik wens u een gezegende advent. Waarop wacht u?

Graffiti in de ‘Kathedraal van het Munnichsbos.’

De weg van de Weidman: Deel 1

Het jachtleven moet de jager tot in het diepst vervullen, maar niet tot een wild verlangen ontaarden…geen moord en schietlust, maar een oneindig groote liefde voor de natuur, voor het bosch en het wild, voor alles wat kruipt en vliegt.”

Friedrich Hülle, De ware weidman

Dit artikel is het originele, niet geredigeerde eerste deel van een tweeluik over het thema weidelijkheid, zoals ook gepubliceerd in De Jager, editie 7-8, juli-augustus 2025. In dit eerste artikel wordt ingegaan op de ontwikkeling en de kernaspecten van het weidelijkheidsprincipe. In het tweede artikel, zal de praktische toepassing van weidelijkheidsethiek worden behandeld. Tevens kunt u via de voetnoten de gebruikte literatuur terugvinden. Onder het kopje ‘bibliografie’ in de header van de website kunt u een uitgebreide literatuurlijst terugvinden.

In mijn vorige artikel over jachtrituelen en hun oorsprong legde ik uit hoe het weidelijkheidsprincipe is ontstaan vanuit het idee dat het doden van een levend wezen leidt tot een gevoel van schuld en hoe rituelen en tradities zowel ten grondslag liggen aan, en tegelijkertijd een uiting zijn van het zogenaamde weidelijkheidsprincipe. Net als deze rituelen verandert het principe van weidelijkheid met de tijd mee. Antropologe Heidi Dahles schreef in 1988 een artikel over weidelijkheid in De Jager, gevolgd door haar in 1990 als boek uitgegeven proefschrift ‘Mannen in het groen.’  Zij stelde dat jagers het principe van weidelijkheid gebruiken ter legitimering van de jacht. Jagers doden dieren, maar doen dat op een weidelijke manier, een juiste manier.1 Maar wat is dan die juiste manier van jagen?

Veel jagers hebben een idee van wat weidelijkheid zou moeten zijn, maar ik kom ook veel beginnende jagers tegen die het een vaag begrip vinden. Binnen de jachtopleiding werd er, naar mijn mening, weinig aandacht besteed aan het thema weidelijkheid. Daar is in 2021/2022 verandering in gekomen met een praktijkonderdeel weidelijkheid binnen de jachtopleiding en het verschijnen van het boek ‘Jagersfatsoen’ van Eric Kemperman.2 In dit boek komt weidelijkheid vooral naar voren als de ‘ongeschreven erecode’ onder jagers, een set regels en opvattingen die jagers onderling hanteren. Daarnaast schetst Kemperman ook veel praktijkvoorbeelden en hij heeft zelfs een persoonlijke gedragscode voor jagers opgesteld. Het boek is een goede introductie op het thema weidelijkheid, maar ik mis persoonlijk soms de diepgang die de Duitse en Oostenrijkse jachtliteratuur ons biedt. Weidelijkheid is een veel breder principe dan een eenvoudig setje regels dat de jager dient te volgen.

Afbeelding 1`: De Ware weidman (1944) en Jagersfatsoen (2021), weidelijkheid blijft een actueel thema binnen de jachtgeschiedenis.

Weidgerechtigkeit

Als diersoort is de mens onderdeel van de natuur en bestaat niet onafhankelijk van de rest van de wereld. De mens heeft een genetische aanleg om te leven als een opportunistische omnivoor, waardoor hij is gaan jagen. Anders dan andere roofdieren en omnivoren, zijn we als Homo sapiens of ‘wetende mens’ echter in staat tot het ontwikkelen van morele regels en ideeën en we kunnen daarover reflecteren in de vorm van ethiek. Ethiek is de manier waarop we nadenken over ‘juist handelen’ en wanneer we ethiek toepassen op de jacht, dan spreken we over weidelijkheid. We kunnen bewust verantwoordelijkheid nemen voor onze acties en de gevolgen daarvan en dat zijn we dan ook verplicht om deugdelijk te kunnen leven.

De term ‘weidelijkheid’ komt van de Duitse term Weidgerechtigkeit. Deze term komt in Duitsland al voor tussen de 12e en de 15e eeuw en komt van de Hoogduitse woorden Weida / Weidon, ‘ter weide’ (de plek waar dieren foerageren) of op jacht gaan en Gerecht, het juiste doen in ethische zin.3 Ethiek is ecologisch gezien een beperking van de vrijheid tot handelen in de strijd om het voortbestaan. Het is een soort gemeenschappelijk instinct van de mens.4
Het gaat dus over de moreel juiste manier van de jachtbeoefening op basis van een ethische levenshouding en een morele levensstijl. In mijn vorige artikel is te lezen hoe in 1934 de Duitse jachttradities werden verzameld en vastgelegd. Dit leidde ertoe dat Weidgerechtigkeit werd opgenomen in de jachtwet, de Reichsjagdgesetz. Sindsdien is het wettelijk verplicht om in Duitsland weidgerecht te jagen.

Volgens de Jagdgesetz omvat Weidgerechtigkeit drie kernaspecten, namelijk het dierenbeschermingsaspect, het omgevingsaspect en het maatschappelijk aspect.5 Binnen de wet staat vastgelegd dat een jager het dierlijk lijden tot een minimum moet beperken, dat hij (u kunt in plaats van ‘hij’ uiteraard ook ‘zij’ lezen) zorg moet dragen voor het Revier en dat hij zich fatsoenlijk moet opstellen richting de medegebruikers van het jachtveld. Uiteraard volgt de weidelijk jager daarnaast de geschreven wetten en is zich ervan bewust dat hij in het bezit is van een vuurwapen en daarmee een wettelijke uitzonderingspositie heeft. Binnen de Nederlandse Omgevingswet geldt ook een zorgplicht voor wild en natuur en het is ook wettelijk verplicht om onnodig lijden bij dieren te voorkomen.6 De basis voor weidelijk jagen bestaat dus mede uit wettelijke bepalingen!

Afbeelding 2: Rituelen en tradities.

Tradities en rituelen, bijvoorbeeld een respectvolle omgang met geschoten wild of het toepassen van de juiste jachtgebruiken zijn echter niet specifiek opgenomen in de wet. Ze vallen onder de ‘ongeschreven’ wetten van de weidelijkheid.7 Om die ongeschreven wetten te herkennen is het handig om te weten dat weidelijkheid is gericht op drie domeinen: de natuurlijke omgeving, het wild en de medemens.

De jager is geen toeschouwer binnen de natuurlijke ordening der dingen, maar verbindt zichzelf bewust met de gehele biotische gemeenschap.8 Hij grijpt waar nodig in en streeft naar balans binnen de natuurlijke ordening. Daardoor ontwikkelt een weidelijke jager ook een steeds groter wordende liefde voor alles wat leeft, waardoor de jager zichzelf gaat beperken.9 Vanuit die houding ontwikkelt hij of zij de twee basispijlers van de weidelijkheid: Beheersing en verantwoordelijkheid. Dit zorgt ervoor dat een weidelijk jager een professioneel, ethisch, sociaal en verantwoord individu is. Respect, mededogen, compassie en goed fatsoen worden daarmee de basiselementen van het weidelijk jagen. Weidelijkheid is meer dan een erecode, het is een gedragssysteem en een ethos, een manier van leven en denken.10

Ontwikkeling van het weidelijkheidsdenken

Mensen beseffen zich dat ze ingrijpen in de natuurlijke ordening wanneer ze op jacht gaan en ze ontwikkelen respect voor de dieren waarop ze jagen.11 Rituelen en tradities, die al sinds de eerste jagers het schuldgevoel over het doden van dieren vormgeven, leidden tot het ontstaan van het ethische overwegingen over de jacht. Jagen gaat daardoor niet over doden, maar over de juiste manier van het doden van wilde dieren.12 Het eren van het ‘offer van het dier’ en respectvol omgaan met de natuur zijn hier uitingen van. Het tegengaan van overbejaging en toepassen van goed wildbeheer zijn ontstaan vanuit dit soort ethische overwegingen. Ethiek zorgt immers voor richtlijnen die ons menselijk handelen ordenen en inperken, maar zorgt ook voor een gevoel van verantwoordelijkheid.13

Één van de oudste ‘weidelijkheidsteksten’ is de Cynegeticus van Xenophon  (ca. 430-355 voor Christus).14 Daarin worden regels gesteld aan de jacht. De kundige jager moet zich matigen en het wild een eerlijke kans geven om te kunnen ontkomen. In de late Middeleeuwen ontstond vanuit ridderlijke idealen het idee van fair chase of good sportsmanship, vooral aan het Franse en Engelse hof.15 De jacht bleef een toonbeeld van kundigheid. Het jachtwild kreeg speelruimte en kon ontsnappen en moet dus juist bejaagd worden.16 Daarnaast werd het als sportief gezien om alleen sterke en moeilijk te bejagen dieren te doden en bij de latere schietjacht was het gebruikelijk om moeilijke schoten als het meest sportief te beschouwen. Het idee van sportsmanship is in de moderne context echter verworden tot het vrijwillig beperken van het gebruik van wapens, gereedschappen en mogelijkheden om het wild te doden en is daarmee nog steeds gericht op de kennis en kunde van de jager.17

Afbeelding 3: Oud-Griekse afbeelding van de zwijnenjacht, British Museum (bron: wikimedia commons).

De Europese adel ging zich vanaf de late vijftiende eeuw steeds meer richten op pronkjachten, waarbij gezien en gezien worden belangrijker werden dan het sportelement van de jacht. De cultuur van de Franse chasse a coure of parforce jacht verbreidde zich sterk richting het Duitse hof. Waar de term ‘weidmänner’ eerder nog werd gebruikt voor de burgerlijke jagers, werd het nu de term waaronder de Duitse jachtopzichters en beroepsjagers aan het hof zich afzetten tegen hun adellijke meesters. Ze namen een erecode aan, die leidde tot het ontstaan van een eigen jachtcultuur en -taal.18 Gedurende de 16e-18e eeuw hielden deze beroepsjagers de beschaafde omgang met het wild hoog in het vaandel. Temidden van tradities en rituelen ontstond zo het feitelijke ‘weidelijkheidsdenken.’

Het idee van sportsmanship waaide in de 17e eeuw over naar Nederland via de huwelijksbanden van de Oranjes met de Britse adel. Britse gamekeepers en hun jachttradities raakten ingeburgerd op jachtsloten als Middachten en het Loo.19 Na de Franse revolutie werden de jacht op klein en groot wild toegankelijk voor het gewone volk. Enerzijds werd jagen daarmee vooral een solitaire aangelegenheid. De jager ging alleen de natuur in en vanuit de 19e 19e-eeuwse Romantiek ontstond het idee van natuurreflectie. De jager besefte zich steeds meer dat hij deel was van het geheel en nam de zorg voor dier en natuur op zich. Het idee van weidelijkheid wortelde zich opnieuw in de jachtwereld.

Anderzijds kwam de nadruk weer te liggen op de functionele jacht om in voedsel te voorzien en de jacht op schadelijk wild door landbouwers. De Duitse en Oostenrijkse Weidmänner organiseerden zich opnieuw in een tegencultuur die zich nog sterker afzette tegen de functionele jachtcultuur van de boeren- en broodjagers. Prins Hendrik (1876-1934) groeide in Duitsland op met het weidelijkheidsdenken en introduceerde het begin twintigste eeuw aan het Nederlandse hof.20 Ook Nederlandse heerjagers begonnen de regels van de ethische jacht expliciet te gebruiken om zich van broodjagers en stropers te onderscheiden.21

Tijdens de Duitse bezetting van 40-45 introduceerden Duitse jachtopzichters in Nederland de in de Jagdgesetz vastgelegde weidelijkheidsregels. In 1945 ontstond er zelfs een ereraad die maatregelen trachtte te nemen tegen onweidelijke jagers. In na-oorlogs Nederland groeide het weidelijkheidsbesef, tot de Jagersvereniging het in 1978 definitief omarmde met het vastleggen van de weidelijkheidsnorm.22 Weidelijkheid werd voor alle jagers definitief deel van de jacht in Nederland, die daardoor niet alleen een functionele vorm van schadebestrijding en faunabeheer is geworden, maar ook een specifieke levensstijl en een cultuurvorm.

Beperking, beheersing en verantwoordelijkheid

Beheersing en verantwoordelijkheid typeren de moderne, weidelijke jager. De jachtpassie moet bijvoorbeeld ondergeschikt zijn aan goed faunabeheer.23 De weidelijk jager neemt de verantwoordelijkheid voor de gezondheid van het wild op zich. Het voorkomen van onnodig lijden bij de dieren heeft daarbij prioriteit. Het doden van dieren is hierbij een middel, niet het doel. In Duitsland noemt men dit ‘Hege,’ wat het best vertaald kan worden door ‘koestering.’24 De jager schiet alleen waar dat nodig is en gaat daarbij veilig en verantwoord te werk. Een weidelijk jager heeft daartoe een groot verantwoordelijkheidsgevoel en begrijpt zijn of haar plek binnen de levende wereld.25 Hij of zij gaat respectvol en bewust om met de natuur en het ecosysteem en ontwikkelt een gedegen natuurkennis. De jager begrijpt wat er in het veld gebeurt, welke dieren en rondlopen en wat er allemaal groeit en bloeit.  Weidelijk en ‘juist’ jagen vergt veel tijd, energie, kennis en passie.26 Jagen is, wanneer op een juiste manier beleefd, een diepe vorm van persoonsontwikkeling waarbinnen het proces belangrijker is dan het resultaat.27

De omgang met het wild is vanzelfsprekend het belangrijkste aspect van weidelijkheid. Jagers beperken zichzelf ten opzichte van het wild omdat ze het leven van hun prooi respecteren. De trekker overhalen zorgt ook voor zelfreflectie en voor een emotionele verbintenis met het dier na het schot.28 Daarom worden de juiste rituelen en tradities in acht genomen, ook wanneer een jager alleen in het veld is, zonder publiek.29 Daarnaast streeft de weidelijke jager ernaar om zoveel mogelijk van het wild te benutten.

Afbeelding 4: Zelfgemaakte wildstoof. De weidelijke jager benut zo veel mogelijk van het geschoten wild.

De jager stelt zich sociaal, met compassie en begrip op naar de medejagers en andere mensen en gaat goed om met zowel voor- en tegenstanders van de jacht. Hij of zij respecteert de grenzen van het jachtveld, houdt zich aan de sociale normen en regels en brengt de jacht niet in diskrediet door onbeschoft handelen. Jagers zijn immers grotendeels afhankelijk van de publieke opinie!30

Vanaf het begin van deze eeuw zijn de kritische beschouwing van de verhoudingen tussen mens en dier steeds meer deel uit gaan maken van ons waardensysteem. De Nederlandse jacht is onder de loep komen te liggen. Via sociale media kunnen snelle meningen en beelden van vermeende misstanden in de jacht razendsnel worden verspreid. Polarisatie zet de pro- en anti- jachtlobby lijnrecht tegenover elkaar. Er is in het laatste decennium ook een hoop veranderd in de jachtwereld. Denk aan de toegenomen deelname aan gezelschapsjachten in met name Duitsland en de opkomst van elektronische hulpmiddelen als nachtzicht- en warmtebeeldoptiek. De manier waarop we jagen is dus, juist nu, belangrijker dan ooit tevoren! De roep om een nieuw weidelijkheidsbesef is hier op zijn plek. Anno 2025 zou dan ook de opvatting moeten heersen dat weidelijkheid de enige houdbare ethische reden is waarom we jagen. Volgens verschillende natuurfilosofen en ethici is weidelijkheid geen bijproduct van de jacht, maar de jacht moet juist een bijproduct zijn van een moreel juiste levenswijze.

In het volgende artikel zal de praktijk van het weidelijk jagen aan bod komen, waardoor de puzzelstukjes beter op hun plaats zullen vallen. Onthoud in ieder geval: als jager moet je vooral rekening houden met je eigen morele kompas. Niet om de jacht te rechtvaardigen, maar om zelf te begrijpen waarom je jaagt. Bij twijfel: voelt een bepaalde handeling niet goed, dan is die vaak ook niet weidelijk.

  1. Dahles 1987; Dahles 1990. ↩︎
  2. Kemperman 2021. ↩︎
  3. Dahles 1990; Frevert 2020; Kemperman 2021; Magometschnigg 2009; Moling 2020, 111-112; Paul 2022, 10-11. ↩︎
  4. Blackburn 2002, 3-6; Magometschnigg 2008, 42; Ortega y Gasset 1989 ↩︎
  5. Zie o.a. Moling 2020; Schwenkel 1935. ↩︎
  6. Omgevingswet, Artikel 11.27 & 11.28 van Besluit Activiteiten Leefomgeving, zie ook: Artikel 11.27 Besluit activiteiten leefomgeving. ↩︎
  7. Dahles 1987, 469. ↩︎
  8. Moling 2020; Wawatie & Pyne 2010. ↩︎
  9. Kretz 2010. ↩︎
  10. Marvin 2010. ↩︎
  11. Kiekert 2016. ↩︎
  12. Kowalsky 2010. ↩︎
  13. Magometschnigg 2008, 42. ↩︎
  14. Magometschnig 2008, 16; Xenophon 2024. ↩︎
  15. Kemperman 2012, 19. ↩︎
  16. Magometschnigg 2008, 16. ↩︎
  17. Cerulli 2012. ↩︎
  18. Kemperman 2021, 17; Magometschnigg 2008, 29. ↩︎
  19. Everdingen 1984, 34; Wittenboer& de Lane 2021. ↩︎
  20. Dahles 1987, 482; Everdingen 1984, 159-167. ↩︎
  21. Dahles 1987, 484. ↩︎
  22. Dahles 1987, 471. ↩︎
  23. Dahles 1987, 472; Dahles 1990. ↩︎
  24. Magometschnigg 2008, 35; Moling 2020. ↩︎
  25. Frevert 2020. ↩︎
  26. Kowalsky 2010. ↩︎
  27. Moling 2020. ↩︎
  28. lundáin-Agurruza 2010; Vitali 2010. ↩︎
  29. Ortega y Gasset 2007. ↩︎
  30. Essen 2018, 158; Moling 2020, 32. ↩︎

Update: November 2025

Mijn laatste blog-publicatie dateert alweer uit mei. Ik ben namelijk druk geweest met een opleiding tot ecologisch deskundige, die overigens erg tegenvalt qua inhoud, ik heb verschillende artikelen geschreven voor ‘de Jager’ en ik ben op reis geweest door Scandinavië.

Maar nu pak ik de draad weer op en ga regelmatig schrijven voor u, lieve lezer. Dus hou deze weblog en Instagram in de gaten of  abonneer uzelf als volger op mijn blog. Graag tot snel!

Natuurfragmentjes

Als boeddhist en natuurmens probeer ik dikwijls eventjes ‘mindful‘ stil te staan bij de kleine dingen die me gelukkig maken. Dat kunnen goede gesprekken zijn met collega’s of klanten op het werk, met mijn partner, met vrienden of een toevallige voorbijganger. Maar meestal zijn het kleine natuurfragmentjes die me even doen stilstaan en genieten. Afgelopen week was dat bijvoorbeeld de regen die tegen het raam tikte terwijl ik een kop thee dronk. Maar ook als ik ’s ochtends naar mijn werk fiets passeer ik dagelijks een broedende Canadese gans die me dan nakijkt, en gisteren zag ik een fazant die luidkeels kokkerde en zicht uitschudde in de regen.

Wandelaars en andere buitenmensen zullen deze natuurfragmentjes vast herkennen. Ochtendmist, de kleur van ontluikend groen, herfstkleuren, stormlucht boven het schemerende boerenland, de geur van een sparrenbos, het gevoel van mos, de zonsopgang boven de akkers, de kou van de eerste vorst die je inademt, de stilte van een winterochtend, het ruisen van de zingende bossen of de smaak van de eerste bramen. Het zijn stuk voor stuk van die kleine elementen die je doen beseffen dat geld, carrière of faam er niet toe doen. Daarin merk je dan meteen weer op dat wij als levende wezens niet onafhankelijk bestaan van alle andere dingen. U kent de uitdrukking wel: “we zijn allemaal sterrenstof”, we bestaan allemaal uit hetzelfde materiaal dat bij de oerknal vrijkwam.

Mooie natuurfragmenten, vastgelegd door Rien Poortvliet (1932-1995).

Ook kan ik enorm genieten van de manier waarop het licht tussen de bomen hangt of hoe de lichtstralen door het bladerdak vallen in een zonneharp. Een jakobsladder vanuit de wolken doet me dan weer aan mijn moeder denken. “De hemel is even open”, zei ze toen ze nog leefde. Nu ze er niet meer is, denk ik bij het zien van zo’n zonnestraal nog meer aan haar.

Mijn moeder zag een ree ook altijd als een soort ‘boodschapper’ van haar overleden vader, een boswachter en jachtopzichter. Nu zie ik een reegeit met kalf weer als een soort boodschapper van mijn moeder. De natuur verbindt je op geestelijk niveau weer met het alles, het universum, de levenskracht of het goddelijke. De natuur vervult altijd een deel van ons menselijk godsbegrip.

Soms vinden we dezelfde gevoelens die de natuurfragmenten oproepen ook terug in de kunsten, in bijvoorbeeld een muziekstuk, een schilderij, een tekening of een balletvoorstelling. Als we even stilstaan verbindt en vervult de natuur ons op het diepste niveau. Die realisatie, dat is een moment van mindfulness, van bewust zijn. Op zo’n momentje leef je in het hier en het nu. De natuur is universeel, we kunnen ons er niet van losmaken en we en we kunnen er niet aan ontsnappen. Gelukkig maar, dan kunnen we altijd even stilstaan en genieten van onze eigen natuur.

Waidmannsheil?

Als amateur ethicus verdiep ik me graag in filosofie en ethiek. Gegronde jachtethiek is voor mij dan ook de basis waaruit ik jaag. Deze jachtethiek uit zich in het weidelijk jagen, waaraan ik op deze weblog uitgebreid aandacht wil besteden. Niet voor niks is de ondertitel van Bewust Jager: “een weidelijk ethos.” Als inleiding op volgende blogs over het thema weidelijkheid wil ik allereerst graag kort stilstaan bij de Duits-Oostenrijkse jagersgroet ‘waidmannsheil.’
Een ‘waidmannsheil’  wordt geuit tussen jagers die het veld ingaan, als succeswens, of bij een geslaagde jacht, wanneer een jager een dier weidelijk geschoten heeft. Het is een groet die niet te pas en te onpas gebruikt dient te worden. Zo gebruikt men de groet bijvoorbeeld niet buiten jachtaangelegenheden. Ook groet men elkaar bijvoorbeeld niet in de kroeg met ‘waidmannsheil.’ De nadruk ligt op de weidelijke boodschap van het jagen, de groet en gelukswens van de ene ‘waidmann‘ aan de andere.

Een ‘waidmann’ of ‘weidmann’, is een jager die de ‘weidgerechte’ jachtethiek hoog in het vaandel heeft staan. De etymologische oorsprong ligt waarschijnlijk bij het woord ‘Weide‘, dat zowel kan staan voor het veld op zichzelf, als voor het benutten van veld en dier als voedsel en bestaansmiddel.1 De term ‘weidgerechtigkeit‘ gaat terug tot de 13e of 14e eeuw en verwijst naar de weidelijkheid als deugd en als vorm van deugdzaam handelen.2 Oorspronkelijk waren de waidmänner beroepsjagers van lagere stand die zich organiseerden in een gilde om zich af te zetten tegen de adellijke vorm van jacht, waarbij het ging om de ‘kill’, de pracht en praal en het binnenhalen van een rijke buit. Bij de waidmann ging en gaat het echter om de passie voor de levende natuur en de respectvolle omgang daarmee op basis van diepgaande kennis, kunde en begrip. Volgens Heidi Dahles is de ware waidmann dan ook een weidelijk jager die leeft volgens een strikte erecode die is ontstaan uit overlevering en traditie.3 De waidmann draagt weidelijkheid uit via zijn of haar denken en doen, waarbij tradities en rituelen net zo belangrijk zijn als de respectvolle omgang met al wat leeft.

Het regent op de sociale media vaak WMH’s en ‘WMD’s.’4 Ik kom ze te pas en te onpas tegen op het internet. Onder elk bericht van een succesvol afschot regent het meteen WMH’s en WMD’s, afkortingen als een uitwas van onze snelle digitale cultuur. Dat stuit mij persoonlijk vaak tegen de borst, omdat een waidmannsheil een oprechte jagersgroet is die vanuit het hart dient te komen en die direct geuit wordt tussen weidelijke jagers. Een waidmannsheil wens je elkaar persoonlijk en dan vooral wanneer je elkaars jachtgerichte handelen als weidelijk beschouwt. Het heeft te maken met een stukje wederzijds persoonlijk respect en erkenning en de groet dient dan ook oprecht en vanuit het hart te komen. De snelle afkorting ‘WMH’ vind ik dan ook absoluut geen recht doen aan de groet en ik zal deze dan ook altijd voluit typen, maar veel liever persoonlijk en mondeling overbrengen, al dan niet met een verdiende handdruk.

Maar hoe hoort het dan eigenlijk? Laten we eerst kijken naar de spelling. We komen naast ‘waidmannsheil‘ ook vaak ‘weidmannsheil‘ tegen. Dat heeft niets te maken met een Nederlandse spelling, maar met lokale spelling en traditie. Zo wordt in Südtirol bijvoorbeeld ‘waidmannsdonk’ vaak gebruikt. Ook de spellingen weydmannsheil, waydmannsheil en weidmansheil komen voor. Volgens de Duitse Duden spellinggids heeft weidmannsheil de voorkeur. Dit is historisch gezien ook de oudste schrijfwijze. Waidmannsheil lijkt oorspronkelijk uit de Beiers-Oostenrijkse en Oost-Frankische hoek te komen en deze schrijfwijze werd in 1934 in de Duitse jachtvoorschriften overgenomen.5 Bijzonder daarbij is dat tegenwoordig de spelling met ‘ei‘ vooral in het oosten en zuiden van Duitsland en in Oostenrijk gebruikt wordt en de spelling met ‘ai‘ in het noorden en westen, dus precies omgekeerd. Walter Frevert (1897-1962), wiens werk nog steeds wordt gezien als bepalend op het gebied van Duitse jachtgebruiken, gebruikt voornamelijk waidmannsheil. Uiteindelijk ligt het aan de jager zelf welk schrijfwijze hij of zij prefereert, er is geen goed of fout.

Zo komen we aan bij de gebruiksnorm van de termen waidmannsheil en waidmannsdank. Hoe en wanneer worden de termen correct gebruikt?

  • Als groet en gelukswens tussen jagers onderling: Wanneer twee jagers (herkenbaar gekleed als jager) elkaar treffen kort voor, tijdens of na de jacht of wanneer ze beiden op jacht gaan of van de jacht terugkomen groeten ze elkaar met een waidmannsheil. Het antwoord is dan dus ook “waidmannsheil.”
  • Als onderlinge gelukswens op de jacht. Wanneer jagers samen het veld ingaan en vervolgens opsplitsen om bijvoorbeeld op verschillende hoogzitten te gaan zitten, dan wensen ze elkaar waidmannsheil.
  • Als groet en gelukswens tussen een niet-jager en een jager. Onder een niet-jager valt ook een jager die niet herkenbaar gekleed is als jager of een jager die niet het veld ingaat of die niet direct bezig is met jagen. De niet-jager wenst de jager een waidmannsheil die wordt beantwoord door de jager met een waidmannsdank. Is de niet-jager uitgerust met een verrekijker, dan kan de jager ook antwoorden met “goede aanblik”.6
  • Als felicitatie van een medejager. Wanneer twee jagers elkaar treffen na een succesvolle jacht of een succesvol schot, dan groet men de succesvolle jager met een waidmannsheil. De succesvolle jager antwoordt dan met waidmannsdank.
  • Als felicitatie van de jachtleider. Wanneer een succesvolle jager van de jachtleider een buitbreuk (een afgebroken tak van handpalmgrootte) overhandigd krijgt (traditioneel vanaf het lemmet van een jachtmes), dan wordt de jager gefeliciteerd met een waidmannsheil. De jager antwoordt dan ook met waidmannsdank.
  • Als dank aan een hondengeleider. Wanneer er een hond of zweethond aan te pas komt om een geschoten dier ‘binnen te brengen’, dan overhandigt de schutter de hondengeleider een breuk en bedankt hem of haar en de hond met een waidmannsdank. De hondengeleider antwoordt dan de schutter met een waidmannsheil en plaatst vervolgens de breuk in de halsband of het tuigje van de hond.
  • Als dank bij direct met de jacht gerelateerde bezigheden, zoals een jachtuitnodiging, mag een jager een waidmannsdank uitspreken.

Waidmannsheil wordt dus altijd gebruikt in een directe jachtcontext en wordt dus niet gebruikt om een brief of e-mail mee af te sluiten en ook jagers die elkaar buiten de jacht tegenkomen (dus ook tijdens bijvoorbeeld een Hubertusviering) groeten elkaar niet met een waidmannsheil. Ook wordt waidmannsheil absoluut niet gebruikt bij het uitbrengen van een heildronk. Het moge duidelijk zijn dat het een ethisch en symbolisch beladen term is die niet lichtzinnig dient te worden gebruikt. Mede daardoor vind ik de ‘WMH’ afkeurenswaardig. Beter is dus een voluit geschreven ‘waidmannsheil‘ of ‘weidmannsheil.‘ De beste optie is om de succesvolle jager persoonlijk te spreken, dan wel op te bellen, en mondeling en direct deze jachtgroet met passie en oprechtheid over te brengen.

  1. Dahles 1987; Kemperman 2021, 17-18; Molin 2020, 108; Paul 2022, 10. ↩︎
  2. Molin 2020, 108. ↩︎
  3. Dahles 1987. ↩︎
  4. WMH als afkorting van ‘waidmannsheil‘ en WMD als afkorting van ‘waidmannsdank.’ ↩︎
  5. Lindner 1979, 68; Paul 2022, 10. ↩︎
  6. In het Duits: “Guter Anblick”, naar: Herberstein 2008, 188. ↩︎

Warmtebeeld en weidelijkheid

Toen ik afgelopen maand weer rond struinde op Europa’s grootste jachtbeurs in Dortmund, viel het me weer op hoe groot de rol van moderne techniek is geworden binnen de jachtwereld. Vooral de ontwikkeling van nachtzichtapparatuur en warmtebeeldtechniek is in de afgelopen jaren enorm toegenomen. Daardoor zijn deze technische hulpmiddelen toegankelijk en betaalbaar geworden voor de jager op de particuliere markt. Uiteraard rijst daarmee meteen de vraag hoe ethisch verantwoord en dus ook hoe weidelijk het gebruik van deze apparatuur is binnen de jachtwereld. Ook in de Duitse Überlaufer podcast ging het laatst over het feit dat ‘jagen’ steeds oneerlijker wordt door het gebruik van nachtzicht en warmtebeeld.

Kernelementen van het weidelijk of ‘weidgerecht‘ jagen zijn de inspanning en vaardigheden die de jager moet ontwikkelen om de zintuigen en natuurlijke verdedigingsmechanismen van het prooidier te omzeilen. Zonder uitdaging geen jacht. Het jachtwapen, munitie en eventueel de hond zijn in principe alles wat een jager nodig heeft aan materiaal. Aldo Leopold (1887-1948) stelt dat de kern van sportsmanship/ weidelijkheid het cultiveren van vaardigheid is en het terugdringen van het gebruik van ‘gadgets.’1

Foto van een das, gemaakt met mijn eigen nachtzichtapparatuur.

Drones, nachtzicht, warmtebeeldkijkers, afstandsmeters, wildcamera’s, weerapps, lokkers, de lijst van materialen en hulpmiddelen die we als jager kunnen toepassen lijkt eindeloos. Ze zijn dan ook erg handig en soms ook onmisbaar, maar de jager moet uiteindelijk zelf kennis en kunde opdoen, zonder van hulpmiddelen afhankelijk te worden. De mobiele telefoon is bijvoorbeeld handig in het veld, met een heel scala aan beschikbare apps en een fotocamera, maar moet niet afleiden van het huidige moment.

Filosoof David Petersen stelt dat moderne ‘jagers’ steeds luier worden. Ze willen kort aanzitten, prooigarantie, schieten en naar huis. Dieren krijgen geen kans meer. Dit soort mensen noemt hij: “wanna-be hunters, people who do not want to invest time, energy knowledge and heart to hunt properly.”2 Jachtfilosoof bij uitstek, José Ortega y Gasset, stelt het simpel: “Wanneer de mens zijn immense technische superioriteit benut, dan is jagen geen jagen meer, maar slechts moord en destructie.”3

Men heeft jarenlang alleen ’s nachts gejaagd bij voldoende maanlicht. Nog steeds doen jagers dit, vooral in landen waarin het gebruik van nachtzichtapparatuur verboden is. Het vraagt dan veel kennis en kunde om een dier juist te identificeren of ‘aan te spreken’ en te schieten. Zelfs dan nog kan het fout gaan door schaduwwerking, lichtgebrek of domweg een verkeerde inschatting. In plaats van een keiler ligt er dan een leidende zeug of een dier wordt verkeerd geraakt en sterft een pijnlijke dood. Dat wil niemand. Is het in dan toch niet weidelijker om nachtzichtapparatuur te gebruiken?

Afbeelding van het zicht door een infrarood warmtebeeldkijker bij een artikel over de Vlaamse wetgeving rondom deze apparatuur.

Bij de huidige faunaschadebestrijding zijn alle toegestane jachtmiddelen inzetbaar, dus ook nachtzichtapparatuur. Wilde varkens effectief ’s nachts bejagen in het kader van populatiebeheer en schadebestrijding vraagt uiteindelijk toch om deze vorm van ‘valsspelen’. Nachtzicht maakt het jagen hier namelijk weidelijker. De jager kan het dier makkelijker zien, ook al gebruikt het varken het duister als dekmantel. Daarnaast kan de jager duidelijk inschatten waarop hij of zij schiet en bepalen of het mogelijk is om effectief een verantwoord schot te lossen.4 Door de meeste nachtzichtapparaten is een dier goed herkenbaar, maar het vergt nog steeds een getraind oog om het dier te vinden in het landschap en daarna de juiste inschattingen te maken.

Warmtebeeldkijkers daarentegen zijn voor mij persoonlijk een heel ander verhaal. Deze zorgen ervoor dat dieren niet alleen het donker verliezen als dekmantel, maar ook hun natuurlijke camouflage en de dekking van het terrein. Bij duurdere warmtebeeldapparatuur zijn de dieren door hun warmtesilhouet zelfs in de dekking van het bos herkenbaar en kunnen zich dus niet effectief verstoppen voor de jager. Daarentegen zijn de kijkers wel weer uiterst handig bij het tellen en inventariseren van wild en ze zijn uitstekend toepasbaar bij de nazoek, wanneer een dier niet direct ligt op het schot, maar uiteraard altijd in combinatie met een goede zweethond. Ook zijn eventuele andere dieren en mensen die zich in het veld bevinden goed zichtbaar, wat de veiligheid ten goede komt. Ook kunnen goede warmtebeeldkijkers gebruikt worden om de fysieke toestand, de leeftijd, het geslacht en de bouw van een dier duidelijk waar te nemen.

Warmtebeeldrichtkijkers op het geweer zijn voor mij persoonlijk echter uit den boze. Je schiet dan op het infraroodsilhouet van een dier. Het beeld is bij duurdere modellen vaak haarscherp en duidelijk, maar bij goedkopere modellen zijn obstakels als takken tussen schutter en doel vaak slecht zichtbaar. Ook kan het silhouet, vooral bij de goedkopere modellen, onduidelijk zijn door de hoeveelheid warmte die het dier uitstraalt. Het dier kan zich ook niet meer effectief verstoppen. Een warmtebeeldrichtkijker is daardoor in mijn optiek niet weidelijk, zoals ook Rudolf Schwarz daarover schreef in jachtmagazine ‘Der Anblick.’ Hij benadrukt dat we door het gebruik van onze nieuwste techniek de dieren in dusverre beperken dat ze nergens meer hun rust en toevlucht kunnen zoeken voor de menselijke jager.5 Een handheld warmtebeeldkijker zou ik nog wel eventueel aanschaffen voor in de vorige alinea genoemde doeleinden, maar ik zou deze uit principe alleen gebruiken wanneer het echt pure noodzaak is, anders niet! In ieder geval niet als richtmiddel op het geweer. Daarmee zou ik mezelf als weidelijk jager dus beperken in het gebruik van mijn technische mogelijkheden of ‘gadgets.’

Bijschrift bij een Instagram story van een handelaar in warmtebeeldapparatuur.

Zelfs verkopers van nacht- en warmtebeeldapparatuur roepen jagers op om hun producten weidelijk toe te passen, zoals in bovenstaande afbeelding te zien is. Daar ligt uiteindelijk de middenweg. In de juiste situatie kan nachtzicht- en warmtebeeldtechniek een goed hulpmiddel zijn bij schadebestrijding en beheer, maar de gebruiker blijft ervoor verantwoordelijk de juiste en weidelijke keuze te maken. Een weidelijk jager zal zichzelf dus vanwege ethische overwegingen moeten beperken in het gebruik en toepassing van de beschikbare technische hulpmiddelen, zo stelt ook de Oostenrijkse theoloog en filosoof Markus Moling (1978).6 Het weidelijkheidsprincipe vraagt de jager dus om zelfbeheersing en zelfbeperking, een thema dat steeds weer terug keert in de jachtethiek en jachtfilosofie.7. Die zelfbeperking en zelfbeheersing vormen een kernprincipe van de weidelijke jacht.8 Stel uzelf dus steeds de vraag die een goede jachtvriend van me laatst stelde: “Als we al die dure apparatuur maar klakkeloos gebruiken, zijn we dan nog wel echt met jagen bezig?”

  1. Leopold 1989. ↩︎
  2. Petersen 2010. ↩︎
  3. Ortega y Gasset 2007. ↩︎
  4. Weinrich 2019, 316. ↩︎
  5. Schwarz 2016, 52. ↩︎
  6. Moling 2021, 130. ↩︎
  7. Larson 2006, 16; Vitali 2010. ↩︎
  8. Moling 2021, 160. ↩︎

Midden in de winternacht

Vrede was er overal, wilde dieren kwamen.
Bij de schapen in de stal, en zij speelden samen.

Harry Prenen, Midden in de Winternacht, 1943

Bovenstaande passage uit één van mijn favoriete kerstgezangen heeft een mooie boodschap. Een boodschap van compassie en mededogen. Rond kerstmis hopen we op een wereld van vrede en saamhorigheid, waarin alle levende wezens elkaar tolereren en in vrede leven en waarin er geen dood en lijden meer is. Dat blijft natuurlijk utopisch, dood en geboorte en eten en gegeten worden maken wezenlijk deel uit van onze ecologische werkelijkheid. Maar toch blijft het een nobel streven. Ook als jager wil je je inzetten voor een gezonde leefwereld voor de mens en alle niet-menselijke dieren.

Het is inmiddels december en het jachtseizoen loopt langzaam ten einde. Ik hang mijn geweer even aan de wilgen, of in de kluis zo u wilt, want het is advent. Kerstmis is voor mij de belangrijkste tijd van het jaar. Als katholiek ben ik veel in de kerk om me voor te bereiden op het kerstfeest. Daarnaast heb ik het druk met kerstmarkten bezoeken, bij vrienden en familie zijn en kaartjes schrijven aan dierbaren. Op die kaartjes staan vrijwel elk jaar wilde dieren in de sneeuw afgebeeld. Veel mensen versieren ook het huis met afbeeldingen van wilde dieren. Herten, eekhoorns, konijnen, hazen, roodborstjes en uiteraard rendieren behoren tot geliefde kersticonografie.

Kerstmis, wilde dieren en de jacht lijken sterk met elkaar verbonden te zijn. Niet in de eerste plaats vanwege het wild dat bij veel Nederlanders op tafel staat met de kerstdagen. Op christelijke feestdagen is het overigens bij wet verboden om te jagen in Nederland.1 In Groot-Brittannië echter wordt Boxing Day, bij ons tweede kerstdag of de feestdag van St. Stefanus, gezien als de dag bij uitstek om te jagen. Veel jachtgroepen en slipjachtorganisaties komen dan ook op de Britse eilanden samen voor de zogenaamde Boxing Day hunts. Wild bij het diner wordt van oudsher geassocieerd met de adel, die het jachtrecht bezat. Het eten van wild was dan ook niet zomaar aan de normale mens besteed en wild wordt nog vaak onbewust gezien als een bijzondere of luxe vorm van eten.

Boxing Day Hunt in Keswick (Foto door Gareth Cavanagh)

Ons kerstfeest gaat, zoals velen wellicht bekend is, terug op oeroude gebruiken die overal ter wereld verschillen. Het Joelfeest en de pre-christelijke feesten waren gekoppeld aan de winterzonnewende, de terugkeer van het licht in de wereld. Een tijd van verandering en overgang, een traditie die we ook zien in de komst van het Christuskind. Men geloofde dat in dat soort liminele dagen de grens tussen onze wereld en de geestenwereld vervaagde en via offers, vaak dieren en zelfs mensoffers, probeerde men een gunstige terugkeer van de zon af te smeken en met vuur, wintergroen en luid kabaal werden kwade geesten afgeweerd.

Een andere Britste kersttraditie is de Wren hunt op St. Stephen’s day. De zogenaamde wrenboys joegen hierbij vroeger op Winterkoninkjes en bonden de dode vogeltjes uiteindelijk aan een staf, samen met een takje hulst, linten en gekleurd papier, de zogenaamde wren pole. Het roodborstje viel vaak ten slachtoffer aan dezelfde traditie. De vogeltjes zijn dus niet alleen geliefde onderwerpen op kerstballen en kerstkaarten vanwege hun voorkomen in de winter. Vanaf de vroege twintigste eeuw wordt er overigens niet meer op de vogeltjes gejaagd, maar wel nog gedanst rondom de wrenpole, die vaak versierd is met mooie kunstvogeltjes en veel kerstgroen.

Hunting the Wren on St. Stephen’s Day,
Walter Crane.

In de pre-christelijke tradities werd er in Europa ook vaak gejaagd op wilde zwijnen op de dag voorafgaand aan de zonnewende en later werd deze traditie doorgezet op de dag van kerstavond. Ook deze zwijnen werden oorspronkelijk als offerdier behandeld. Het zwijn werd gezien als een heerser van het woud en stond symbool voor grote en belangrijke feesten. Asterix en Obelix eten in de stripboeken dus ook niet voor niets graag everzwijn! In de Middeleeuwen werd het zwijn vaak gezien als een symbool van geweld en van zonden. Het doden van een zwijn werd gezien als een offer aan het Christuskind, een symbool voor de overwinning op de zonde. Daarom diende men in middeleeuws Engeland vaak een zwijnenkop op bij het diner op Eerste Kerstdag. Dat zien we terug in de Boar’s Head Carol, een 15e eeuws kerstlied. Op Queen’s College, een afdeling van de universiteit van Oxford, vindt met kerstmis een Boar’s Head Dinner plaats waarbij het lied een rol speelt.

The Boar’s Head Carol

Een dier dat prominent aanwezig is in de kersticonografie is natuurlijk het rendier. Ook het rendier is een offerdier in de pre-christelijke traditie, vooral in Scandinavië. De Sámi, traditionele rendierhoeders, leven nog steeds van de jacht en van hun rendieren. Rendieren staan in hun cultuur voor wijsheid, doorzettingsvermogen en overlevingskracht. In de Noordse culturen komen ook verschillende midwinterfiguren voor die vergezeld worden door, of rijden op een rendier. Via de Vikingen en via latere middeleeuwse handel werden rendieren en rendiergeweien breder geïntroduceerd in West-Europa. Clement C. Moore publiceerde in 1824 het gedicht ‘T was the Night before Christmas‘, waarin de slee van de kerstman voor het eerst getrokken wordt door een groep rendieren.

In de kerstwinkels en tuincentra kom je echter meer afbeeldingen van herten tegen dan van rendieren. Ze lijken lukraak door elkaar gebruikt te worden, wat doet vermoeden dat de meeste mensen niet lijken te weten hoe rendieren eruit zien. Rendieren hebben een robuuste bouw met een brede, stompe snuit en een echte wintervacht, vaak in grijstinten. Ze leven met name in grote kuddes en voeden zich vooral met korstmossen. Ook zijn zowel mannelijke en vrouwelijke rendieren geweidragers.

Het (edel)hert heeft een ander soort gewei, leeft in kleiner groepsverband en heeft een heel andere bouw, vacht en kleur dan het rendier. Ook damherten en reeën zijn hertachtigen, maar verschillen weer sterk van edelherten en rendieren. Het edelhert speelt wel een rol in de kersticonografie. Herten staan voor de dorst, de zoektocht naar God.2 Ook wordt het hert vaak gezien als goddelijke boodschapper, als levensgids en als een symbool van puurheid, zuiverheid, betrouwbaarheid en verhevenheid.3 Eigenschappen die ook weer aan Christus kunnen worden verbonden. Herten worden in de christelijke traditie vaak als tien-ender afgebeeld, met een gewei met tien uiteinden die weer symbool staan voor de tien geboden.

Een Sámi vrouw met een rendier (Shutterstock).

Een laatste wild dier dat we in en rond de kerststal terugzien is de duif. In de christelijke traditie natuurlijk het symbool bij uitstek voor de Heilige Geest, die met God de Vader en Jezus de heilige drie-eenheid vormt. Ook is de duif een symbool van vrede, liefde en vertrouwen. In het kerstlied ‘The Friendly Beasts‘, leeft de duif in de nok van de kerststal en koert hij het kerstkind in slaap. Een andere traditionele functie van de duif is, u kunt het wel raden, de rol van offerdier bij uitstek. De duif is ook de meest voorkomende vogel in de bijbel.

Veel wilde dieren die tegenwoordig met de kersttraditie verbonden zijn en die vaak symbool staan voor christelijke waarden komen dus vaak voort uit veel oudere tradities en vaak uit een offerscontext. Het offeren is echter ook weer een sterk symbool voor de geboorte van Christus als mens, die zichzelf uiteindelijk opoffert aan het kruis ter vergeving van de zonden.

Kerstmis blijft een prachtig feest vol traditie, gezelligheid en warmte. Vrede op aarde, verbondenheid en saamhorigheid lijken in onze tijd vaak ver te zoeken, maar gelukkig brengt kerstmis veel mensen toch weer dichter bij elkaar.
Als er dit jaar wild op tafel staat tijdens de kerstdagen kunt u wellicht nadenken dat u niet alleen voedsel, maar ook een stukje symboliek opdient.
Via deze weg wil ik u als lezer in ieder geval zalige en vredige kerstdagen wensen en een voorspoedig en gezond komend jaar. En ik wil u graag danken voor het lezen van mijn schrijfsels!

Geboorte bij nacht,
Geertgen tot Sint Jans (1490),
National Gallery, London.
  1. Met uitzondering van bejaging van vrijgestelde diersoorten in het kader van schadebestrijding. ↩︎
  2. Zie bijvoorbeeld psalm 42:
    ’t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
    Schreeuwt niet sterker naar ’t genot
    Van de frisse waterstromen,
    Dan mijn ziel verlangt naar God.
    ↩︎
  3. Zie ook de Hubertuslegende. ( ↩︎
« Oudere berichten

© 2026 Bewust Jager

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑