Eind November. De tijd van de gezelschapsjachten, van Sinterklaas en de donkere dagen voor kerstmis. De advent staat voor de deur, voor mij als katholiek de belangrijkste tijd van het jaar. Wachten op de terugkeer van het licht. Ik kan me dan ook soms ergeren aan mensen bij wie de kerstboom al vanaf eind oktober in huis prijkt, ver vóór de advent. Vaak mensen die wel kerstmis vieren, maar ontdaan van religieuze of spirituele inslag. Voor mij voelt die vorm dan als een hol feest van commercie. Enfin, ieder zijn godsbegrip. Het is in elk geval mooie symboliek. De winterzonnewende: hoop in het duister.

Veel jagers kennen het wellicht. Bibberend op de koude hoogzit wachten in het donker. Vol verwachting wachten op de prooi, die wellicht niet komen gaat. Wachten tot de ochtend gloort, tot de zon warmte brengt. En als ze daar zo zitten komen ze tot inkeer. De stilte van het bos, de nachtelijke roep van de bosuil tussen de duistere stammen; het maant de jager tot reflectie, het is meditatief. Gedachten komen op en ebben weg, rust in het hoofd. De jager voelt zich langzaam één zijn met de gehele natuur der dingen. Dit is zijn gebed en daarin ontmoet hij het goddelijke. In de stilte van de geest.

Niet voor niets zeiden mijn moeder en mijn opa zaliger altijd: “Je kunt het beste bidden in de bossen.” Daar ervaar je wat het boeddhisme ‘interbeing’ noemt, één zijn met je en met de natuur. Bioloog Midas Dekkers stelt dan ook dat je, om God te willen begrijpen, niet per definitie theoloog hoeft te zijn. Eerder moet je bioloog zijn, kijken naar hoe de natuurlijke wereld in elkaar steekt. Het is zo vanzelfsprekend, maar ook wonderlijk hoe de wereld op natuurlijke wijze werkt. De jager heeft ook het voorrecht om verbonden te zijn met zo’n natuurlijke staat van zijn, hij zit in het bos op de eerste rij.

Waar ik vaak bid tussen de zware pilaren van mijn parochiekathedraal, in het licht van glas in lood, zo bid ik ook tussen de stammen in het bos terwijl zonneharpen door het bladerdak vallen. Afgelopen week nog was ik in het Limburse Munnichsbos, in mijn geboortestreek, samen met mijn vader die daar vroeger heeft gejaagd. Daar ligt letterlijk ‘de kathedraal’, een eeuwenoud bos waarin rijzige beuken met hun herfstbladeren een uiting zijn van natuurlijke gotiek. Ik dacht aan mijn overleden moeder, aan de schoonheid en de eindigheid der dingen, aan dankbaarheid voor datgene dat ik heb en aan de komende adventstijd.

Stel u mijn verwondering voor toen ik plots opmerkte dat iemand, heel frappant, de naam “Jesus” in graffiti heeft achtergelaten op één van de stervende beuken…

Ik wens u een gezegende advent. Waarop wacht u?

Graffiti in de ‘Kathedraal van het Munnichsbos.’