Welkom op mijn weblog! Op deze pagina wil ik u als lezer meenemen in mijn leven als jager en buitenmens en mijn gedachten en overdenkingen met u delen.
Ik ben geen influencer en ik deel hier vooral persoonlijke meningen, ervaringen en beschouwingen in opiniestukken. Daarnaast wil ik ook uitgebreide artikelen schrijven over diverse jachtgerelateerde thema’s waarbij ik tevens verwijs naar interessante literatuur en ander werk.
Ik zal daarnaast stukken uit mijn ‘oude’ blog actualiseren en herpubliceren op deze pagina. Hopelijk kan ik op deze manier inspireren, inzicht bieden, u aan het denken zetten of simpelweg amuseren.
Vergeet niet om bij interesse deze pagina te volgen (via de ‘abonneren’ knop) en/of te reageren wanneer u dat wilt! U vindt mij ook op Instagram als @bewustjager.
Voor vragen of opmerkingen kunt u tevens mailen naar info@bewustjager.nl .
Ik tracht minstens éénmaal per maand een schrijfsel te publiceren. Alvast veel leesplezier!
Mijn vorige blog over beeldetiquette wordt ineens weer actueel in de sociale media. In de Duitse jachtmedia is een filmpje rondgegaan over een jager die empathieloos met een jachthond omgaat. De precieze details doen er niet toe, wel het feit dat dit filmpje veel stof doet opwaaien over de manier waarop jagers zichzelf presenteren in de sociale media. Veel jagers vragen zich in reactie op het filmpje openlijk af wat de meeste jachtkanalen op de sociale media überhaupt nog met ‘weidelijke jacht’ te maken hebben.
Ze snijden hier een heikel punt aan, maar mijns inziens geheel terecht! De meeste ‘grote’ jachtkanalen en -pagina’s, met een groot aantal online-volgers, zijn vooral pagina’s die beheerd worden door influencers. Er ontstaat een cultuur van in scene gezette ‘jachtmomenten’ waarbij het vooral lijkt te gaan om sponsoring van wapens, kleding en uitrusting en die vaak zelfs lijkt op een vorm van zelfverheerlijking. Er zit een businessmodel achter dat niets met weidelijke jacht, of zelfs met jagen an sich, te maken heeft.
Anderzijds zijn er de pagina’s die beelden tonen zonder beeldetiquette, waarop vooral tableaufoto’s en trofeefoto’s de overhand hebben. Een tableau met tientallen dode ganzen of reeën, filmpjes van dieren die onprofessioneel getroffen worden, vaak beschoten vanaf grote afstand, filmpjes van jagers die respectloos met het wild en met honden omgaan of zelfs van jagers die vooral op het schieten van zo veel mogelijk wild gefixeerd zijn. Om nog maar te zwijgen over de jagers die van de nazit een groot drinkgelag maken. Ook zijn er beelden van mensen die op het geschoten wild zitten of die delen van het wild gebruiken om ‘grappige’ foto’s te maken. Het zijn allemaal voorbeelden waarvan ik, en velen klaarblijkelijk met mij, me afvraag: “Wat doet deze verschrikkelijke rotzooi überhaupt op de sociale media? Is dit het beeld van de jacht dat we willen uitdragen richting de niet-jagende buitenwereld?” Zoals de oosterburen het zeggen: Het is zum kotzen.
In Nederland klagen de meeste jagers intussen steen en been over het slinken van de jachtmogelijkheden, het verdwijnen van dieren van de wildlijst en de opmars van de “linkse, woke dierenbeschermers”, terwijl ze zichzelf juist distantiëren van de publieke opinie door het gebruik van jargon, grof taalgebruik, polarisatie, kortzichtige aannames en het haast recalcitrant delen van ongepaste beelden op de sociale media. In Nederland maken we onderscheid tussen de jacht enerzijds en schadebestrijding anderzijds. Vooral bij schadebestrijding lijkt in de sociale media het motto ‘kwantiteit boven kwaliteit, ofwel: hoe meer dieren we kunnen schieten, hoe beter’, te zijn. Misschien moeten we niet vingerwijzen en niet stilletjes de aftocht blazen en proberen in het buitenjacht te gaan jagen, maar juist meer focussen op weidelijk en verantwoord jagen binnen Nederland, ook bij schadebestrijding! Alleen op die manier kunnen we, als jager zijnde, de jacht geloofwaardig overbrengen aan andere jagers en ook aan de niet-jagers.
Ik blijf me dus inzetten voor een terugkeer naar meer weidelijkheid en het gebruik van jachttradities en -rituelen. Als jagers moeten we op een bewuste en verantwoorde manier jagen, gebaseerd op liefde voor de natuur en het wild. Jagen is geen pragmatisch middel, het is een diepgewortelde manier van leven. Of zoals Markus Moling stelt in zijn boek ‘Wie wir jagen wollen‘: als jagen niet weidelijk is, dan is het ook geen jagen meer.
Ik krijg van bekenden wel eens de vraag of ik eigenlijk wel eens iets heb geschoten de laatste tijd. Ze hebben er immers nooit een foto van gezien op de sociale media. Op mijn Instagram zien ze meestal alleen foto’s van levende dieren of van het klaargemaakte wild, een stukje vlees op een bord. Als ze toch een foto willen zien van het daadwerkelijk geschoten dier, dan laat ik ze die liever persoonlijk zien en dan vertel ik ook graag het verhaal dat erbij hoort. Hoe het dier geschoten is en waarom. En uiteraard over de jachtdag zelf en over wat daar allemaal gebeurde.
Als jager wil ik een eerlijk en open beeld geven van wat ik doe en van wat mij motiveert. Om meer inzicht te verschaffen aan mensen die de jacht niet kennen, maar ook om mijn eigen visie op de jacht en de levende wereld uit te dragen en anderen wellicht te inspireren. Vandaar ook dat ik deze weblog ben gaan schrijven. Toch vermijd ik het delen van foto’s van het tableau of trofeefoto’s. Op mijn Instagram kom je die dan ook weinig tegen. En als je ze tegenkomt, dan zijn het foto’s waarop respect voor het dier centraal staat. Waarom deze keuze?
Ten eerste vind ik persoonlijk dat ik deze foto’s niet altijd hoef te maken en/ of delen. Ik maak uiteraard foto’s als persoonlijke herinnering aan het dier en aan de jachtdag, maar die zijn vooral voor mijzelf bedoeld. Het doden van het dier is iets tussen mij en het dier, een moment van bespiegeling en van bezinning. Ik respecteer het dier waarop ik jaag, ik ga er dan ook niet zomaar foto’s van het internet op slingeren. We posten immers uit respect ook niet zomaar foto’s van dode mensen en dieren op de sociale media. Daar zit niemand op te wachten. Vanochtend openende ik mijn Instagram account en het eerste dat het algoritme voorbij liet komen was een filmpje van een wild zwijn dat werd geschoten tijdens een drukjacht. Dat vind ik persoonlijk erg onsmakelijk, het overvalt me dan echt op zo’n moment.
Dat brengt me bij het tweede punt: het merendeel van mensen die door hun digitale ‘feed’ scrollen zien niet graag een herkenbaar dood dier voorbij komen. Ik overigens ook niet! Dat heeft niks te maken met een oneerlijk beeld over de jacht schetsen, maar met beeldetiquette, inlevingsvermogen en deugdelijk fatsoen. Een foto met een lachende jager die bij 40 geschoten dieren staat met daaronder een onderschrift als “Geslaagd ochtendje schadebestrijding”, strijkt veel toeschouwers begrijpelijkerwijs tegen de haren in. De bessenteler die van de schade af is, is misschien blij. De schutter is misschien blij met zijn of haar schietkunsten. Maar een werkcollega of kennis die even door zijn apps scrollt en dit beeld ziet langskomen, ziet er waarschijnlijk iets heel anders in.
Een tableau leggen maakt deel uit van de weidelijke jachttraditie. Aan het einde van de jachtdag worden de geschoten dieren naast elkaar gelegd met het hart richting de hemel, dus op de rechterzij.1 De jagers plaatsen een afgebroken tak, de breuk, op het lichaam van de dieren en steken een een takje in de bek, de laatste beet. Iedereen neemt zijn hoed af, de jachthoornblazers spelen als eerbetoon aan het wild. Ook hier draait het om respect en bezinning. Een stukje reflectie en introspectie. Een foto van een tableau kan zonder deze context echter al snel overkomen als een ‘overzicht van dode dieren.’ Vaak hebben ze een snee in hun buik, ze zijn ontweid. Dat wil zeggen dat de ingewanden verwijderd zijn om bederf van het vlees tegen te gaan. Dit kan er echter crue en aanstootgevend uitzien, vooral als je niet begrijpt waar je naar kijkt. Het is daarom belangrijk dat zulke beelden, ook wanneer ze in de algemene media worden gepubliceerd, voorzien zijn van de juiste context.
Dan zijn er ook nog de zo gewraakte ‘trofeefoto’s’, waarop een dood dier ligt met daarnaast de schutter en zijn of haar wapen en soms ook de hond. Voor de niet geïnitieerden lijkt het alsof de jager een soort overwinning op het dier vastlegt. Vaak gaat het echter om een aandenken aan de jacht, naar mijn mening ook iets persoonlijks. Wanneer de foto bedoeld is als pronkstuk of als een uiting van bewijsdrang, dan hoor je hem naar mijn mening niet openlijk te delen. Beter is dan bijvoorbeeld een foto van de verschoten kogelhuls, al dan niet met een breukje erin, een foto van de buitbreuk of een close-up foto van een stukje vacht, veren of gewei.
Ook de manier waarop zo’n foto gedeeld wordt kan veel verschil maken. Het boek ‘Jägerbrauch, Gelebtes und Überlebtes in der Jagd‘, zo ongeveer mijn ‘jachtbijbel’, legt uit hoe een respectvolle foto eruit ziet.2 Het dier ligt op de juiste zij met de laatste beet in de bek. De jager en/of de hond kunnen erbij staan in een respectvolle houding (bijvoorbeeld hand op het dier, hoed in de hand, ingetogen). Het geweer hoort niet op of tegen het dier aan te liggen, het is immers deel van de jager en niet van het dier. Vaak lachen mensen op de foto, dat lijkt voor velen onbegrijpelijk. Soms zie je ook ‘trofeefoto’s’ waarop de jager huilt. Jagen en het doden van een dier roepen diepe emoties op. Opluchting na een lange tijd jagen op een dier of na een goed geplaatst schot, de spanning van het jagen die tot ontlading komt, de trots op het harde werk van een nazoek en het werk met de hond, de tevredenheid over het binnenbrengen van een ziek of gewond dier en ook de realisatie over de broosheid van het leven, onze plek in de wereld en onze eigen sterfelijkheid. Het zijn emoties die je terug kunt zien in een oprechte en respectvolle foto. Ikzelf kijk meestal als een boer met kiespijn op een foto waar ik met een geschoten dier op sta. Je ziet daarin de ambivalentie van de jacht terug. Ik weet wat ik doe en waarom, maar het doden van het dier zelf is nooit ‘leuk’ of ‘fijn’.
Ik hoop met mijn verhalen een goed beeld te schetsen van wat jagen voor mij betekent. Het beeldverhaal speelt daarin ook een belangrijke rol. Open en eerlijke communicatie en transparantie zijn altijd belangrijk, maar vooral wanneer we iets doen dat veel en sterke emoties oproept, zoals jagen. We moeten als jager een duidelijk en eerlijk beeld schetsen van wat we doen, maar we moeten ons daarbij wel houden aan beeldetiquette en ons gezond verstand gebruiken. En we moeten altijd kunnen verantwoorden wat we doen en waarom, zo ook bij het plaatsen van foto’s. Smaakvolle foto’s die het respect en de bewondering uitdragen die wij als jagers hebben voor de levende wereld om ons heen kunnen daar zeker aan bijdragen. Een foto is zonder duidelijke context echter ook makkelijk verkeerd te interpreteren. Vandaar mijn persoonlijke voorkeur om het delen van tableaufoto’s en foto’s van dode dieren op de sociale media te beperken.
Eind November. De tijd van de gezelschapsjachten, van Sinterklaas en de donkere dagen voor kerstmis. De advent staat voor de deur, voor mij als katholiek de belangrijkste tijd van het jaar. Wachten op de terugkeer van het licht. Ik kan me dan ook soms ergeren aan mensen bij wie de kerstboom al vanaf eind oktober in huis prijkt, ver vóór de advent. Vaak mensen die wel kerstmis vieren, maar ontdaan van religieuze of spirituele inslag. Voor mij voelt die vorm dan als een hol feest van commercie. Enfin, ieder zijn godsbegrip. Het is in elk geval mooie symboliek. De winterzonnewende: hoop in het duister.
Veel jagers kennen het wellicht. Bibberend op de koude hoogzit wachten in het donker. Vol verwachting wachten op de prooi, die wellicht niet komen gaat. Wachten tot de ochtend gloort, tot de zon warmte brengt. En als ze daar zo zitten komen ze tot inkeer. De stilte van het bos, de nachtelijke roep van de bosuil tussen de duistere stammen; het maant de jager tot reflectie, het is meditatief. Gedachten komen op en ebben weg, rust in het hoofd. De jager voelt zich langzaam één zijn met de gehele natuur der dingen. Dit is zijn gebed en daarin ontmoet hij het goddelijke. In de stilte van de geest.

Niet voor niets zeiden mijn moeder en mijn opa zaliger altijd: “Je kunt het beste bidden in de bossen.” Daar ervaar je wat het boeddhisme ‘interbeing’ noemt, één zijn met je en met de natuur. Bioloog Midas Dekkers stelt dan ook dat je, om God te willen begrijpen, niet per definitie theoloog hoeft te zijn. Eerder moet je bioloog zijn, kijken naar hoe de natuurlijke wereld in elkaar steekt. Het is zo vanzelfsprekend, maar ook wonderlijk hoe de wereld op natuurlijke wijze werkt. De jager heeft ook het voorrecht om verbonden te zijn met zo’n natuurlijke staat van zijn, hij zit in het bos op de eerste rij.
Waar ik vaak bid tussen de zware pilaren van mijn parochiekathedraal, in het licht van glas in lood, zo bid ik ook tussen de stammen in het bos terwijl zonneharpen door het bladerdak vallen. Afgelopen week nog was ik in het Limburse Munnichsbos, in mijn geboortestreek, samen met mijn vader die daar vroeger heeft gejaagd. Daar ligt letterlijk ‘de kathedraal’, een eeuwenoud bos waarin rijzige beuken met hun herfstbladeren een uiting zijn van natuurlijke gotiek. Ik dacht aan mijn overleden moeder, aan de schoonheid en de eindigheid der dingen, aan dankbaarheid voor datgene dat ik heb en aan de komende adventstijd.
Stel u mijn verwondering voor toen ik plots opmerkte dat iemand, heel frappant, de naam “Jesus” in graffiti heeft achtergelaten op één van de stervende beuken…
Ik wens u een gezegende advent. Waarop wacht u?

“Het jachtleven moet de jager tot in het diepst vervullen, maar niet tot een wild verlangen ontaarden…geen moord en schietlust, maar een oneindig groote liefde voor de natuur, voor het bosch en het wild, voor alles wat kruipt en vliegt.”
– Friedrich Hülle, De ware weidman
Dit artikel is het originele, niet geredigeerde eerste deel van een tweeluik over het thema weidelijkheid, zoals ook gepubliceerd in De Jager, editie 7-8, juli-augustus 2025. In dit eerste artikel wordt ingegaan op de ontwikkeling en de kernaspecten van het weidelijkheidsprincipe. In het tweede artikel, zal de praktische toepassing van weidelijkheidsethiek worden behandeld. Tevens kunt u via de voetnoten de gebruikte literatuur terugvinden. Onder het kopje ‘bibliografie’ in de header van de website kunt u een uitgebreide literatuurlijst terugvinden.
In mijn vorige artikel over jachtrituelen en hun oorsprong legde ik uit hoe het weidelijkheidsprincipe is ontstaan vanuit het idee dat het doden van een levend wezen leidt tot een gevoel van schuld en hoe rituelen en tradities zowel ten grondslag liggen aan, en tegelijkertijd een uiting zijn van het zogenaamde weidelijkheidsprincipe. Net als deze rituelen verandert het principe van weidelijkheid met de tijd mee. Antropologe Heidi Dahles schreef in 1988 een artikel over weidelijkheid in De Jager, gevolgd door haar in 1990 als boek uitgegeven proefschrift ‘Mannen in het groen.’ Zij stelde dat jagers het principe van weidelijkheid gebruiken ter legitimering van de jacht. Jagers doden dieren, maar doen dat op een weidelijke manier, een juiste manier.1 Maar wat is dan die juiste manier van jagen?
Veel jagers hebben een idee van wat weidelijkheid zou moeten zijn, maar ik kom ook veel beginnende jagers tegen die het een vaag begrip vinden. Binnen de jachtopleiding werd er, naar mijn mening, weinig aandacht besteed aan het thema weidelijkheid. Daar is in 2021/2022 verandering in gekomen met een praktijkonderdeel weidelijkheid binnen de jachtopleiding en het verschijnen van het boek ‘Jagersfatsoen’ van Eric Kemperman.2 In dit boek komt weidelijkheid vooral naar voren als de ‘ongeschreven erecode’ onder jagers, een set regels en opvattingen die jagers onderling hanteren. Daarnaast schetst Kemperman ook veel praktijkvoorbeelden en hij heeft zelfs een persoonlijke gedragscode voor jagers opgesteld. Het boek is een goede introductie op het thema weidelijkheid, maar ik mis persoonlijk soms de diepgang die de Duitse en Oostenrijkse jachtliteratuur ons biedt. Weidelijkheid is een veel breder principe dan een eenvoudig setje regels dat de jager dient te volgen.

Weidgerechtigkeit
Als diersoort is de mens onderdeel van de natuur en bestaat niet onafhankelijk van de rest van de wereld. De mens heeft een genetische aanleg om te leven als een opportunistische omnivoor, waardoor hij is gaan jagen. Anders dan andere roofdieren en omnivoren, zijn we als Homo sapiens of ‘wetende mens’ echter in staat tot het ontwikkelen van morele regels en ideeën en we kunnen daarover reflecteren in de vorm van ethiek. Ethiek is de manier waarop we nadenken over ‘juist handelen’ en wanneer we ethiek toepassen op de jacht, dan spreken we over weidelijkheid. We kunnen bewust verantwoordelijkheid nemen voor onze acties en de gevolgen daarvan en dat zijn we dan ook verplicht om deugdelijk te kunnen leven.
De term ‘weidelijkheid’ komt van de Duitse term Weidgerechtigkeit. Deze term komt in Duitsland al voor tussen de 12e en de 15e eeuw en komt van de Hoogduitse woorden Weida / Weidon, ‘ter weide’ (de plek waar dieren foerageren) of op jacht gaan en Gerecht, het juiste doen in ethische zin.3 Ethiek is ecologisch gezien een beperking van de vrijheid tot handelen in de strijd om het voortbestaan. Het is een soort gemeenschappelijk instinct van de mens.4
Het gaat dus over de moreel juiste manier van de jachtbeoefening op basis van een ethische levenshouding en een morele levensstijl. In mijn vorige artikel is te lezen hoe in 1934 de Duitse jachttradities werden verzameld en vastgelegd. Dit leidde ertoe dat Weidgerechtigkeit werd opgenomen in de jachtwet, de Reichsjagdgesetz. Sindsdien is het wettelijk verplicht om in Duitsland weidgerecht te jagen.
Volgens de Jagdgesetz omvat Weidgerechtigkeit drie kernaspecten, namelijk het dierenbeschermingsaspect, het omgevingsaspect en het maatschappelijk aspect.5 Binnen de wet staat vastgelegd dat een jager het dierlijk lijden tot een minimum moet beperken, dat hij (u kunt in plaats van ‘hij’ uiteraard ook ‘zij’ lezen) zorg moet dragen voor het Revier en dat hij zich fatsoenlijk moet opstellen richting de medegebruikers van het jachtveld. Uiteraard volgt de weidelijk jager daarnaast de geschreven wetten en is zich ervan bewust dat hij in het bezit is van een vuurwapen en daarmee een wettelijke uitzonderingspositie heeft. Binnen de Nederlandse Omgevingswet geldt ook een zorgplicht voor wild en natuur en het is ook wettelijk verplicht om onnodig lijden bij dieren te voorkomen.6 De basis voor weidelijk jagen bestaat dus mede uit wettelijke bepalingen!

Tradities en rituelen, bijvoorbeeld een respectvolle omgang met geschoten wild of het toepassen van de juiste jachtgebruiken zijn echter niet specifiek opgenomen in de wet. Ze vallen onder de ‘ongeschreven’ wetten van de weidelijkheid.7 Om die ongeschreven wetten te herkennen is het handig om te weten dat weidelijkheid is gericht op drie domeinen: de natuurlijke omgeving, het wild en de medemens.
De jager is geen toeschouwer binnen de natuurlijke ordening der dingen, maar verbindt zichzelf bewust met de gehele biotische gemeenschap.8 Hij grijpt waar nodig in en streeft naar balans binnen de natuurlijke ordening. Daardoor ontwikkelt een weidelijke jager ook een steeds groter wordende liefde voor alles wat leeft, waardoor de jager zichzelf gaat beperken.9 Vanuit die houding ontwikkelt hij of zij de twee basispijlers van de weidelijkheid: Beheersing en verantwoordelijkheid. Dit zorgt ervoor dat een weidelijk jager een professioneel, ethisch, sociaal en verantwoord individu is. Respect, mededogen, compassie en goed fatsoen worden daarmee de basiselementen van het weidelijk jagen. Weidelijkheid is meer dan een erecode, het is een gedragssysteem en een ethos, een manier van leven en denken.10
Ontwikkeling van het weidelijkheidsdenken
Mensen beseffen zich dat ze ingrijpen in de natuurlijke ordening wanneer ze op jacht gaan en ze ontwikkelen respect voor de dieren waarop ze jagen.11 Rituelen en tradities, die al sinds de eerste jagers het schuldgevoel over het doden van dieren vormgeven, leidden tot het ontstaan van het ethische overwegingen over de jacht. Jagen gaat daardoor niet over doden, maar over de juiste manier van het doden van wilde dieren.12 Het eren van het ‘offer van het dier’ en respectvol omgaan met de natuur zijn hier uitingen van. Het tegengaan van overbejaging en toepassen van goed wildbeheer zijn ontstaan vanuit dit soort ethische overwegingen. Ethiek zorgt immers voor richtlijnen die ons menselijk handelen ordenen en inperken, maar zorgt ook voor een gevoel van verantwoordelijkheid.13
Één van de oudste ‘weidelijkheidsteksten’ is de Cynegeticus van Xenophon (ca. 430-355 voor Christus).14 Daarin worden regels gesteld aan de jacht. De kundige jager moet zich matigen en het wild een eerlijke kans geven om te kunnen ontkomen. In de late Middeleeuwen ontstond vanuit ridderlijke idealen het idee van fair chase of good sportsmanship, vooral aan het Franse en Engelse hof.15 De jacht bleef een toonbeeld van kundigheid. Het jachtwild kreeg speelruimte en kon ontsnappen en moet dus juist bejaagd worden.16 Daarnaast werd het als sportief gezien om alleen sterke en moeilijk te bejagen dieren te doden en bij de latere schietjacht was het gebruikelijk om moeilijke schoten als het meest sportief te beschouwen. Het idee van sportsmanship is in de moderne context echter verworden tot het vrijwillig beperken van het gebruik van wapens, gereedschappen en mogelijkheden om het wild te doden en is daarmee nog steeds gericht op de kennis en kunde van de jager.17

De Europese adel ging zich vanaf de late vijftiende eeuw steeds meer richten op pronkjachten, waarbij gezien en gezien worden belangrijker werden dan het sportelement van de jacht. De cultuur van de Franse chasse a coure of parforce jacht verbreidde zich sterk richting het Duitse hof. Waar de term ‘weidmänner’ eerder nog werd gebruikt voor de burgerlijke jagers, werd het nu de term waaronder de Duitse jachtopzichters en beroepsjagers aan het hof zich afzetten tegen hun adellijke meesters. Ze namen een erecode aan, die leidde tot het ontstaan van een eigen jachtcultuur en -taal.18 Gedurende de 16e-18e eeuw hielden deze beroepsjagers de beschaafde omgang met het wild hoog in het vaandel. Temidden van tradities en rituelen ontstond zo het feitelijke ‘weidelijkheidsdenken.’
Het idee van sportsmanship waaide in de 17e eeuw over naar Nederland via de huwelijksbanden van de Oranjes met de Britse adel. Britse gamekeepers en hun jachttradities raakten ingeburgerd op jachtsloten als Middachten en het Loo.19 Na de Franse revolutie werden de jacht op klein en groot wild toegankelijk voor het gewone volk. Enerzijds werd jagen daarmee vooral een solitaire aangelegenheid. De jager ging alleen de natuur in en vanuit de 19e 19e-eeuwse Romantiek ontstond het idee van natuurreflectie. De jager besefte zich steeds meer dat hij deel was van het geheel en nam de zorg voor dier en natuur op zich. Het idee van weidelijkheid wortelde zich opnieuw in de jachtwereld.
Anderzijds kwam de nadruk weer te liggen op de functionele jacht om in voedsel te voorzien en de jacht op schadelijk wild door landbouwers. De Duitse en Oostenrijkse Weidmänner organiseerden zich opnieuw in een tegencultuur die zich nog sterker afzette tegen de functionele jachtcultuur van de boeren- en broodjagers. Prins Hendrik (1876-1934) groeide in Duitsland op met het weidelijkheidsdenken en introduceerde het begin twintigste eeuw aan het Nederlandse hof.20 Ook Nederlandse heerjagers begonnen de regels van de ethische jacht expliciet te gebruiken om zich van broodjagers en stropers te onderscheiden.21
Tijdens de Duitse bezetting van 40-45 introduceerden Duitse jachtopzichters in Nederland de in de Jagdgesetz vastgelegde weidelijkheidsregels. In 1945 ontstond er zelfs een ereraad die maatregelen trachtte te nemen tegen onweidelijke jagers. In na-oorlogs Nederland groeide het weidelijkheidsbesef, tot de Jagersvereniging het in 1978 definitief omarmde met het vastleggen van de weidelijkheidsnorm.22 Weidelijkheid werd voor alle jagers definitief deel van de jacht in Nederland, die daardoor niet alleen een functionele vorm van schadebestrijding en faunabeheer is geworden, maar ook een specifieke levensstijl en een cultuurvorm.
Beperking, beheersing en verantwoordelijkheid
Beheersing en verantwoordelijkheid typeren de moderne, weidelijke jager. De jachtpassie moet bijvoorbeeld ondergeschikt zijn aan goed faunabeheer.23 De weidelijk jager neemt de verantwoordelijkheid voor de gezondheid van het wild op zich. Het voorkomen van onnodig lijden bij de dieren heeft daarbij prioriteit. Het doden van dieren is hierbij een middel, niet het doel. In Duitsland noemt men dit ‘Hege,’ wat het best vertaald kan worden door ‘koestering.’24 De jager schiet alleen waar dat nodig is en gaat daarbij veilig en verantwoord te werk. Een weidelijk jager heeft daartoe een groot verantwoordelijkheidsgevoel en begrijpt zijn of haar plek binnen de levende wereld.25 Hij of zij gaat respectvol en bewust om met de natuur en het ecosysteem en ontwikkelt een gedegen natuurkennis. De jager begrijpt wat er in het veld gebeurt, welke dieren en rondlopen en wat er allemaal groeit en bloeit. Weidelijk en ‘juist’ jagen vergt veel tijd, energie, kennis en passie.26 Jagen is, wanneer op een juiste manier beleefd, een diepe vorm van persoonsontwikkeling waarbinnen het proces belangrijker is dan het resultaat.27
De omgang met het wild is vanzelfsprekend het belangrijkste aspect van weidelijkheid. Jagers beperken zichzelf ten opzichte van het wild omdat ze het leven van hun prooi respecteren. De trekker overhalen zorgt ook voor zelfreflectie en voor een emotionele verbintenis met het dier na het schot.28 Daarom worden de juiste rituelen en tradities in acht genomen, ook wanneer een jager alleen in het veld is, zonder publiek.29 Daarnaast streeft de weidelijke jager ernaar om zoveel mogelijk van het wild te benutten.

De jager stelt zich sociaal, met compassie en begrip op naar de medejagers en andere mensen en gaat goed om met zowel voor- en tegenstanders van de jacht. Hij of zij respecteert de grenzen van het jachtveld, houdt zich aan de sociale normen en regels en brengt de jacht niet in diskrediet door onbeschoft handelen. Jagers zijn immers grotendeels afhankelijk van de publieke opinie!30
Vanaf het begin van deze eeuw zijn de kritische beschouwing van de verhoudingen tussen mens en dier steeds meer deel uit gaan maken van ons waardensysteem. De Nederlandse jacht is onder de loep komen te liggen. Via sociale media kunnen snelle meningen en beelden van vermeende misstanden in de jacht razendsnel worden verspreid. Polarisatie zet de pro- en anti- jachtlobby lijnrecht tegenover elkaar. Er is in het laatste decennium ook een hoop veranderd in de jachtwereld. Denk aan de toegenomen deelname aan gezelschapsjachten in met name Duitsland en de opkomst van elektronische hulpmiddelen als nachtzicht- en warmtebeeldoptiek. De manier waarop we jagen is dus, juist nu, belangrijker dan ooit tevoren! De roep om een nieuw weidelijkheidsbesef is hier op zijn plek. Anno 2025 zou dan ook de opvatting moeten heersen dat weidelijkheid de enige houdbare ethische reden is waarom we jagen. Volgens verschillende natuurfilosofen en ethici is weidelijkheid geen bijproduct van de jacht, maar de jacht moet juist een bijproduct zijn van een moreel juiste levenswijze.
In het volgende artikel zal de praktijk van het weidelijk jagen aan bod komen, waardoor de puzzelstukjes beter op hun plaats zullen vallen. Onthoud in ieder geval: als jager moet je vooral rekening houden met je eigen morele kompas. Niet om de jacht te rechtvaardigen, maar om zelf te begrijpen waarom je jaagt. Bij twijfel: voelt een bepaalde handeling niet goed, dan is die vaak ook niet weidelijk.
- Dahles 1987; Dahles 1990. ↩︎
- Kemperman 2021. ↩︎
- Dahles 1990; Frevert 2020; Kemperman 2021; Magometschnigg 2009; Moling 2020, 111-112; Paul 2022, 10-11. ↩︎
- Blackburn 2002, 3-6; Magometschnigg 2008, 42; Ortega y Gasset 1989 ↩︎
- Zie o.a. Moling 2020; Schwenkel 1935. ↩︎
- Omgevingswet, Artikel 11.27 & 11.28 van Besluit Activiteiten Leefomgeving, zie ook: Artikel 11.27 Besluit activiteiten leefomgeving. ↩︎
- Dahles 1987, 469. ↩︎
- Moling 2020; Wawatie & Pyne 2010. ↩︎
- Kretz 2010. ↩︎
- Marvin 2010. ↩︎
- Kiekert 2016. ↩︎
- Kowalsky 2010. ↩︎
- Magometschnigg 2008, 42. ↩︎
- Magometschnig 2008, 16; Xenophon 2024. ↩︎
- Kemperman 2012, 19. ↩︎
- Magometschnigg 2008, 16. ↩︎
- Cerulli 2012. ↩︎
- Kemperman 2021, 17; Magometschnigg 2008, 29. ↩︎
- Everdingen 1984, 34; Wittenboer& de Lane 2021. ↩︎
- Dahles 1987, 482; Everdingen 1984, 159-167. ↩︎
- Dahles 1987, 484. ↩︎
- Dahles 1987, 471. ↩︎
- Dahles 1987, 472; Dahles 1990. ↩︎
- Magometschnigg 2008, 35; Moling 2020. ↩︎
- Frevert 2020. ↩︎
- Kowalsky 2010. ↩︎
- Moling 2020. ↩︎
- lundáin-Agurruza 2010; Vitali 2010. ↩︎
- Ortega y Gasset 2007. ↩︎
- Essen 2018, 158; Moling 2020, 32. ↩︎
Mijn laatste blog-publicatie dateert alweer uit mei. Ik ben namelijk druk geweest met een opleiding tot ecologisch deskundige, die overigens erg tegenvalt qua inhoud, ik heb verschillende artikelen geschreven voor ‘de Jager’ en ik ben op reis geweest door Scandinavië.
Maar nu pak ik de draad weer op en ga regelmatig schrijven voor u, lieve lezer. Dus hou deze weblog en Instagram in de gaten of abonneer uzelf als volger op mijn blog. Graag tot snel!
Het is mei, al is het lenteweer soms ver te zoeken. Afgelopen week liep ik met de hond, met mijn jas en de capuchon op door de regen. De wind ruiste door de bomen en boven ons ontvouwde zich een spectaculair grijs wolkenspel. Genieten! Het leek wel een heerlijke herfstdag! Ik hou, net als veel buitenmensen, van alle seizoenen maar toch net iets meer van de herfst.
Ik genoot van de regen in mijn gezicht en de harde wind, maar tegelijkertijd liep ik daar dus wel in een zomerjas, tussen het frisse groen en tussen de wuivende graslanden vol lentebloemen, terwijl de tjiftjaf en zanglijster zich lieten horen. Zo stond ik daar even stil met kletsnatte laarzen, ergens tussen de klaver en de boterbloemen, en ik bedacht me dat dit een bijzonder moment was. Het leek herfst in de lente, het beste van beide seizoenen. Door de recente droogte waren er hier en daar zelfst wat ‘herfstkleuren’ te bespeuren.

Ik rook de petrichor, de geur van de eerste regen die opsteeg uit de kruidenrijke graslanden en de humusrijke bosbodem. Even later besloot mijn Beagle Charlie dat het tijd was om te zwemmen, waarbij hij het belangrijk vond om een paar losdrijvende leliebladeren te apporteren.
Zo liepen we genietend verder door de aangename lentelucht tot we weer bij de auto terug kwamen. Thuis even goed afdrogen en dan op de bank, met een kop thee en erwtensoep. Net als in de herfst! Sommige dagen hebben echt zo’n gouden randje en dit was er eentje van!
De jacht komt de laatste dagen weer naar voren in de media, vooral in de (kwaliteits)kranten. Zo ook in ‘onze krant’ thuis, het NRC. Wat opvalt is dat het enigzins gekleurde berichtgeving betreft. Een paar voorbeelden:
Hanna Hosman schrijft in het NRC over Brigitte Bardot die bij president Macron een verbod op de Franse chasse a courre bepleit. Hosman spreekt foutief over een “verbod op slipjacht” en stelt: “Het concept van de slipjacht leeft nog wel, ook in Nederland: ter vervanging van de prooi wordt een reukspoor ingezet.” ‘Slipjacht’ of ‘sleepjacht’ is juist de jacht op een geurspoor dat met een gesleepte dummy wordt uitgezet. Ruiters te paard volgen met de hondenmeute het geurspoor. Er zijn daarvoor zeker bezwaren aan te dragend als verstoring van de rust in een natuurgebied, maar slipjachten worden doorgaans met zorg uitgezet, zodat de verstoring minimaal is en zodat er geen schade aan de natuur wordt aangebracht. Het hoofdpunt is dat er bij slipjacht juist geen dieren gedood worden! Het gaat juist om samenspel van mens, paard en hond.
De chasse a courre, de traditionele parforce jacht, is wel gericht op het doden van een dier zoals dat in de Middeleeuwen en de Klassieke Oudheid al gebeurde. Een zwijn of hert wordt daarbij opgejaagd door paard en meute, totdat het dier is uitgeput of omsingeld, ofwel in het water gedreven wordt, zodat een lanceur met een speer of wildvanger het dier in het hart kan steken. Ikzelf snap de traditie achter deze vorm van jacht en ik weet hoezeer ze is verweven met de Franse cultuur, maar ik ben er zelf geen voorstander van. Ik schreef in mijn artikel over jachttradities al dat ook tradities met de tijd mee veranderen. De chasse a courre gaat in tegen onze moderne jachtethiek van dierenwelzijn en het voorkomen van lijden en stress bij het wild. Slipjacht is daarvoor juist een mooi alternatief!



Een ander artikel in het NRC van de hand van Sarah Ouwerkerk, over de opkomst van de wasbeerhond, kopt: “De wasbeerhond moet bestreden worden, zegt de jager. Zinloos, zegt de ecoloog, hij gaat nooit meer weg.” Op zich een goed artikel dat beide kanten van het verhaal over invasieve exoten belicht. Bjorn van der Veen is daarin ook een jager bij uitstek om te vertellen over de kwestie. Ik ben zelf overigens ook niet per se van het motto “exoot moet dood”, maar ik snap vanuit mijn ecologische achtergrondkennis wel dat de bestrijding van invasieve exoten vaak noodzakelijk is. Ik kan bijvoorbeeld erg genieten van de Canadese ganzen bij ons in de wijk, al maak ik me soms wel zorgen over hun toenemende aantallen. Natuurlijk is er in deze kwestie altijd weer een middenweg, maar het artikel stelt vooral één jager en één ecoloog als elkaars tegenpolen. Hoewel beide mannen de middenweg wel lijken te zoeken, komt dit mijns inziens niet heel sterk naar voren in het artikel. Er zijn overigens genoeg ecologen die ook jagen. Hun inzichten zouden hier bijzonder waardevol zijn.

Onno Havermans berichtte in Trouw: “De Dierenbescherming maakt zich zorgen. In plaats van kwetsbaar wild wil staatssecretaris Rummenie de jacht centraal stellen in het faunabeheer. ‘Dat het slecht gaat met dieren lijkt er niet toe te doen’. ” Dat het idee ‘dat het slecht gaat met de dieren’ is gebaseerd op eenzijdige tellingen en dat daar momenteel verandering in is gekomen door nieuwe telprotocollen en samenwerking tussen jagers en andere natuurorganisaties wordt wel genoemd, maar het artikel is vooral eenzijdig op de hand van Léon Ripmeester, de jurist van de Dierenbescherming. Nu snap ik verder dat, zoals het artikel bespreekt, minister Rummenie er soms nogal vreemde ideeën op nahoudt en ik ben zelf ook geen groot aanhanger van de BBB, maar de berichtvorming is vrij eenzijdig. Verder wordt er verwezen naar een aardig artikel van Heidi Looij, maar ook naar het rommelwerkje ‘Jagerslatijn’ van Nettie Dekker, waaraan ik binnenkort nog een blogartikel wil wijden.
Het is een greep uit de media van de laatste dagen, maar het laat zien dat de berichtgeving niet altijd helemaal helder is en dat het makkelijk blijkt om de jacht eerder negatief dan positief te belichten. Ook hier ligt polarisatie weer op de loer, dus laten we als beschouwers vooral opbouwend kritisch te werk gaan en de rationele dialoog met elkaar blijven aangaan, op zoek naar een middenweg en wederzijds begrip tussen voor- en tegenstanders van de jacht.
Als boeddhist en natuurmens probeer ik dikwijls eventjes ‘mindful‘ stil te staan bij de kleine dingen die me gelukkig maken. Dat kunnen goede gesprekken zijn met collega’s of klanten op het werk, met mijn partner, met vrienden of een toevallige voorbijganger. Maar meestal zijn het kleine natuurfragmentjes die me even doen stilstaan en genieten. Afgelopen week was dat bijvoorbeeld de regen die tegen het raam tikte terwijl ik een kop thee dronk. Maar ook als ik ’s ochtends naar mijn werk fiets passeer ik dagelijks een broedende Canadese gans die me dan nakijkt, en gisteren zag ik een fazant die luidkeels kokkerde en zicht uitschudde in de regen.
Wandelaars en andere buitenmensen zullen deze natuurfragmentjes vast herkennen. Ochtendmist, de kleur van ontluikend groen, herfstkleuren, stormlucht boven het schemerende boerenland, de geur van een sparrenbos, het gevoel van mos, de zonsopgang boven de akkers, de kou van de eerste vorst die je inademt, de stilte van een winterochtend, het ruisen van de zingende bossen of de smaak van de eerste bramen. Het zijn stuk voor stuk van die kleine elementen die je doen beseffen dat geld, carrière of faam er niet toe doen. Daarin merk je dan meteen weer op dat wij als levende wezens niet onafhankelijk bestaan van alle andere dingen. U kent de uitdrukking wel: “we zijn allemaal sterrenstof”, we bestaan allemaal uit hetzelfde materiaal dat bij de oerknal vrijkwam.

Ook kan ik enorm genieten van de manier waarop het licht tussen de bomen hangt of hoe de lichtstralen door het bladerdak vallen in een zonneharp. Een jakobsladder vanuit de wolken doet me dan weer aan mijn moeder denken. “De hemel is even open”, zei ze toen ze nog leefde. Nu ze er niet meer is, denk ik bij het zien van zo’n zonnestraal nog meer aan haar.
Mijn moeder zag een ree ook altijd als een soort ‘boodschapper’ van haar overleden vader, een boswachter en jachtopzichter. Nu zie ik een reegeit met kalf weer als een soort boodschapper van mijn moeder. De natuur verbindt je op geestelijk niveau weer met het alles, het universum, de levenskracht of het goddelijke. De natuur vervult altijd een deel van ons menselijk godsbegrip.
Soms vinden we dezelfde gevoelens die de natuurfragmenten oproepen ook terug in de kunsten, in bijvoorbeeld een muziekstuk, een schilderij, een tekening of een balletvoorstelling. Als we even stilstaan verbindt en vervult de natuur ons op het diepste niveau. Die realisatie, dat is een moment van mindfulness, van bewust zijn. Op zo’n momentje leef je in het hier en het nu. De natuur is universeel, we kunnen ons er niet van losmaken en we en we kunnen er niet aan ontsnappen. Gelukkig maar, dan kunnen we altijd even stilstaan en genieten van onze eigen natuur.
Het volgende artikel is in april 2025 gepubliceerd als openingsartikel in ‘De Jager’, het maandblad van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging. Hieronder vindt u de originele, niet-geredacteerde tekst, zodat deze ook beschikbaar is voor de lezers van mijn weblog. Tevens kunt u via de voetnoten de gebruikte literatuur terugvinden. Onder het kopje ‘bibliografie’ in de header van de website kunt u een uitgebreide literatuurlijst terugvinden.
Een schot rolt door de heuvels, een wild zwijn blijft roerloos liggen in het maanlicht. Even later knielt de schutter naast het zwijn en plaatst een stukje afgebroken groen in de bek van het dier, dat op de rechterzijde wordt gelegd, het hart richting de hemel. Een tweede takje van handpalmgrootte wordt op het hart geplaatst met de afgebroken kant richting de staart. Jagers weten dat het dus om een zeug gaat. Na een overdenking bij het dier haalt de jachthouder het takje door het ‘zweet’ en overhandigt het aan de schutter, die het op de rechterzijde van de hoed plaatst. Het dier wordt ‘in bezit genomen’ vanuit de natuur en terug bij de auto komt de jachthoorn tevoorschijn en het signaal ‘Sau tot’ schalt door de nacht. Laat in de nacht stopt de schutter nog bij een Hubertuskapelletje en hangt daar zijn breuk aan het hekwerk na een kort moment van bezinning. Thuis wordt het zwijn ontweid en de jagers drinken een jachtbittertje, het zogenaamde dooddrinken. Zo verging mij het schieten van mijn eerste wild zwijn. Het was een avond vol spanning, maar ook vol reflectie, rituelen en tradities.

Jachtrituelen, symboliek en traditie zijn voor mij van kinds af aan wezenlijk onderdeel van het leven en dus ook van de jacht. Jagen wordt in veel culturen als spiritueel ervaren en voor mij persoonlijk is het jager zijn zeker een spirituele en bewuste levensstijl. Rituelen en tradities brengen deze spirituele beleving en dus ook het bewust leven terug bij de jagende mens. Deze rituelen en tradities liggen ook aan de basis van het weidelijkheidsprincipe, het morele kompas van de jager. Moraaltheoloog Markus Moling stelt dat weidelijkheid geen bijproduct is van het jagen, maar dat jagen juist een bijproduct is van een morele levensstijl.1 Weidelijkheid is dus in feite een ethos, een vorm van handelen die hoort bij een ethische levenswijze in balans met de natuur en de levende wereld.
Traditie en ritueel
De jacht wordt van generatie op generatie overgeleverd, waarbij elke jager gebruiken krijgt aangeleerd door zijn medejagers. Van het gebruik van breuken en het blazen op de jachthoorn tot een kop koffie na de jacht of de samenkomst bij de jachthut, iedere jager en jagersgroep kent bepaalde vaste handelingen die verworden zijn tot tradities. Deze tradities bestaan vaak ook uit rituelen. Rituelen zijn herhaalde gebruiken en handelingen met een diepere betekenis en symboliek. Vaak kan die symboliek alleen begrepen worden door de sociale groep die de rituelen toepast, hier dus de weidelijke jagers, en bakent de sociale grenzen af van het lidmaatschap aan de jagerswereld.2 Een goed voorbeeld daarvan is het gebruik van jagerslatijn, de taal die jagers onderling spreken. De jager spreekt bijvoorbeeld van zweet, lopers, hegen, hals geven en pekelen.
Rituelen zorgen voor sociale binding binnen de groep en ze zorgen dat we onze plaats als jager binnen de wereld, samenleving en geschiedenis kunnen duiden. Ze geven zin aan onze handelingen als jager en op die manier kunnen we verklaren hoe en waarom we jagen. Daarnaast veranderen rituelen en tradities ook steeds en zijn aan de huidige tijdsgeest onderhevig. Ze spelen vooral een belangrijke rol bij emotionele en ingrijpende gebeurtenissen in het leven, met name gebeurtenissen waar we weinig controle over kunnen uitoefenen. De dood is bijvoorbeeld altijd sterk omkleed met rituelen. Leven en dood en het begrijpen van onze plaats als mens binnen de natuur en het ecosysteem zijn uiteraard hoofdthema’s binnen de jacht. Het doden van een levend wezen is altijd traumatisch voor een mens, bewust of onbewust.3 Het komt binnen. Ritueel biedt dan houvast en zingeving. Niet voor niets spelen ritueel en tradities dan ook een belangrijke rol in veel inheemse culturen die gebaseerd zijn op een afhankelijkheid van jacht.
Quid pro Quo
De vroegste vormen van jacht door onze voorouders in het paleolithicum, mesolithicum en de rest van de prehistorie tonen vooral hoe de jacht een gezamenlijke inspanning was, waaruit ook een goede vorm van sociale organisatie blijkt. Grotschilderingen van jachtdieren en de resten van jachtwapens, jachtkampjes, slachtplekken en killsites geven ons een inkijk in de jachtbeleving van onze voorouders, naast de gebruiken die bij veel inheemse natuurvolkeren nog worden nageleefd in de huidige tijd. Mensen die door jagen in balans leven met de natuur ontwikkelen een gezonde eerbied voor de onverschilligheid van de natuur en de gevaren van de jacht. Spirituele voorbereiding op de jacht en het willen beïnvloeden van de jachtdieren of afsmeken van de natuur zijn vaak het hoofdthema van jachtrituelen.4 Daarnaast zijn de rituelen ook een uiting van dankbaarheid en respect voor de natuur en van verzoening met de gedode dieren.
Het idee dat geen enkel levend wezen wil worden gedood leidt vanzelf tot een gevoel van schuld bij de bewuste jager. “Quid pro quo”: voor wat, hoort wat.5 Veel jachtculturen kennen daarom verzoeningsgebruiken. De letzter bissen, het groen dat als verzoeningsoffer in de bek van een geschoten dier wordt geplaatst, is daarvan een goed voorbeeld. Het ritueel begraven van bijvoorbeeld het hart of een hoef van een dier op een bepaalde feestdag zou ervoor zorgen dat dieren weer spiritueel worden teruggegeven aan de natuur.6 Vaak is daarbij een bepaalde figuur, vaak een geest, godheid of heilige als ‘meester der dieren’ aangewezen. In onze christelijke traditie kennen we die ook, bijvoorbeeld Sint Hubertus. De jaarlijkse Hubertusvieringen rond 3 november dienen nog steeds als een smeekbede voor een veilige en goede jacht en als een ritueel waarin de jagers toestemming vragen om de goddelijke schepping te mogen benutten. Godinnen als Diana/ Artemis zijn nog steeds populair in de Europese traditie, de Sámi kennen Possjoakka als jachtgod en de Germaans-Keltische traditie kende bijvoorbeeld de godin Arduinna, aan wie de Ardennen mogelijk hun naam ontlenen.

Aan de meester of meesteres der dieren moet dus toestemming worden gevraagd om te mogen jagen. Via rituelen, bijvoorbeeld een dans of een zweetsessie in een sauna of zweethut worden jagers voorbereid op de jacht en na de jacht ook weer ritueel gereinigd. Dat brengt ook weer bezinning en reflectie met zich mee en helpt de jagers omgaan met conflicterende emoties rond het jagen. De meester der dieren personifieert uiteindelijk de ethische regels die nodig zijn om op een verantwoorde, morele wijze te jagen. Die regels voorkomen stroperij en overbejaging. Ons weidelijkheidsprincipe is hiermee te vergelijken.
Bloed, bestraffing en eerbied
Verzoeningsgebruiken lijken ver terug te gaan in de menselijke geschiedenis en zijn waarschijnlijk even oud als de eerste jagende mensen. Ze zetten ook aan tot een eerbiedige omgang met het wild, zowel levend als na het schot. Hart, kop, en vooral bloed van een dier worden gezien als de heilige levenskracht van het dier en vragen dus om een speciale behandeling. Een jachttraditie die we tegenwoordig nog kennen en die waarschijnlijk ook eeuwen oud is, is het zogenaamde ‘bloedigen.’ Nadat een jager zijn of haar eerste dier heeft geschoten, tegenwoordig vaak grofwild, wordt het bloed van het dier in het gezicht van de jager gesmeerd. Het is een rite de passage, een overgangsritueel van niet-jager naar jager dat we in veel jachtculturen terugzien. Het is in Europa gebruikelijk dat er drie kruisen op het gezicht worden gemaakt, op beide wangen en het voorhoofd. Dit staat symbool voor het hert met een kruis tussen de geweistangen uit de Christelijke Hubertuslegende. Het verschijnen van zo’n legendarisch dier dat namens een godheid spreekt komen we ook weer in veel jachtculturen tegen.
Het curée-ritueel uit de Middeleeuwse parforcejacht is ook een bloedritueel, waarbij de ingewanden van een gedood dier aan de honden worden gegeven na het ontweiden in het veld. Het bloed van het dier werd daarbij vaak vermengd met brood en de kop en het hart van het dier werd met respect behandeld. Het gold als beloning voor de honden, maar was daarnaast vooral een ritueel van dank aan het dier en aan de meester der dieren of aan God. Het ritueel toont immers een sterke gelijkenis met het Christelijke ritueel van de Eucharistie, waarbij brood en wijn veranderen in het allerheiligste: lichaam en bloed van Christus.7 Bij de huidige jacht te paard, vooral in de Britse en Franse traditie, krijgen de honden nog steeds tijdens hoorngeschal pens te eten als curée na een succesvolle jacht, waarbij alle jagers aanwezig zijn in een moment van bezinning.

Een ander oud gebruik is het bestraffen van een ‘slechte’ jager. In de Amerikaanse, Zuid-Afrikaanse en Australische jachttraditie wordt er bijvoorbeeld een stuk van het hemd afgeknipt als vorm van ‘bestraffing’ wanneer men een dier aanschiet of mist. In Duitsland kent men het ’Jagdgericht’, waarbij de jager zich in een schijnrechtszaak moet verantwoorden voor de medejagers en de geschoten dieren. Als boetedoening moet hij bijvoorbeeld een rondje geven of een ludieke opdracht vervullen. De schaamte dragen van zijn daden ten overstaan van zichzelf en de andere jagers weegt natuurlijk zwaarder op het geweten. Vroeger werd de jager vaak fysiek bestraft door een klap op het achterwerk met de platte kant van een jachtmes of weidblad, soms liggend over een dood dier. Dit soort gebruiken zijn tegenwoordig vanuit ethisch en hygiënisch perspectief uiteraard niet langer houdbaar, net zoals bijvoorbeeld het oude gebruik van het rauw eten van hart of lever van een geschoten dier. Rituelen evolueren, zoals gezegd, altijd mee met de huidige tijdsgeest.
De taal van de breuken, afgebroken (en dus niet afgesneden) takken die als geleidingstekens worden geplaatst, kennen we in Nederland vrijwel niet meer. In de Duitse en Oostenrijkse jachtopleiding wordt er nog uitgebreid aandacht aan besteed. De ‘inbezitnamebreuk’ op de hoed, zoals eerder beschreven, kennen we daarentegen wel. Ook de ‘feestbreuk’ die op feestdagen op de linkerzijde van de hoed wordt gedragen zien we nog terug. De ‘treurbreuk’ is een variatie hierop die gebruikt wordt bij bijvoorbeeld een overlijden, waarbij de bladeren naar de binnenzijde van de hoed zijn gekeerd. Het overhandigen van de breuk kennen veel Nederlandse jagers van de Duitse gezelschapsjachten. Dat hoort traditioneel plaats te vinden vanaf het blad van een jachtmes, maar vaak wordt de breuk ook met de hand overhandigd. Het is een moment van respect en bezinning. Men hoort dus bijvoorbeeld niet te applaudisseren.
Het tableau uitleggen volgens specifieke regels en rangorde is ook een traditie die we in Nederland kennen, vooral vanuit de Duitse traditie. Vroeger werden de dieren vaak in rijen neergelegd of op een boerenkar of stellage uitgestald na de jacht. Vaak liggen de dieren tegenwoordig op dennentakken en op de hoeken van het tableau staan fakkels of vuurkorven. Het tableau biedt de jagers reflectie over de jachtdag en is een eerbetoon aan de organisatoren en aan de dieren zelf. De succesvolle schutters en jachthonden krijgen een breuk uitgereikt en als laatste daad van verzoening wordt het wild ‘doodgeblazen’ op de jachthoorn. Het aansluitende samenzijn van jagers zorgt dan voor verbinding en het verwerken van de jachtdag in het samenzijn van gelijkgestemden. Ook hier komt uiteraard het jagerslatijn terug in de vorm van sterke verhalen en jachtavonturen.
Jachttraditie in Nederland
Hoewel er tal van sporen van jachttraditie terug te vinden zijn in ons land, kent Nederland weinig cultuureigen jachttradities. De eendenkooi en het maken van houten lokeenden en broedkorven zijn daarnaast wel een stukje Nederlands jachterfgoed. Ook het unieke jachthuis Sint Hubertus en jachtlandschappen op landgoederen, zoals sterrenbossen en de historische jachtpaden en dreven op bijvoorbeeld de Veluwe zijn cultuurhistorische en materiële uitingen van jachttraditie en jachtcultuur die we in Nederland terugzien. Op het gebied van tradities en rituelen is vooral leentjebuur gespeeld bij buurlanden. De jacht was van oudsher een adellijk voorrecht en de symboliek en tradities werden dan ook vaak bepaald door de machthebbers zoals de vorstenhuizen en het hof.
We mogen er vanuit gaan dat de vroegste bewoners van de Lage Landen er verschillende jachtrituelen op nahielden zoals die nog bestaan bij inheemse volkeren die verbonden zijn met de jacht. De hoofse middeleeuwse parforcejacht te paard en de valkenjacht dienden voornamelijk als krijgsoefening en als vertoon van pracht en praal. Vooral het eren van de honden en jachtvogels en het uiten van dynastieke macht stonden centraal. De curée, zoals hierboven genoemd en het verdelen van de buit waren echter complexe rituelen waarbij zowel de aanwezigen als de natuur werden geëerd. De moderne jachthoorn en jachttermen als halali vonden vanuit deze traditie hun weg naar onze jachtcultuur. Door huwelijken met het Britse koningshuis in de 17e en 18e eeuw en met name onder stadhouder Willem III als koning van Engeland, werden Britse tradities ingevoerd in de Nederlandse jachtcultuur, vooral door de adellijke Bentincks.8 Terwijl Nederland in rap tempo ontbost werd, werden juist nieuwe bossen en wildbanen aangelegd voor de jacht, bijvoorbeeld rond de huizen Velder, Middachten en het Loo.

National Gallery of Ireland.
Het element van good sportsmanship vond ook zijn weg naar Nederland, een nieuwe impuls voor het weidelijkheidsdenken. De jacht kreeg namelijk een sportelement. Het wild kon makkelijker ontkomen en de jager moest dus goed te werk gaan om succes te behalen. Rond het begin van de twintigste eeuw, met name onder invloed van prins Hendrik, vond de Duitse jachtcultuur zijn weg naar Nederland, waaronder de Duitse weidelijkheidsprincipes, het dragen van loden jachtkleding en de Duitse jachthoorns als de Fürst-Pless en de Parforcehoorn die de Franse trompe de chasse grotendeels vervingen. Ook het echtpaar Kröller-Müller introduceerde de Duitse jachtsymboliek verder in het Nederlandse jagerswezen.
Tijdens het Nationaal-Socialistisch regime van de jaren ’30 en ‘40 werden de Duitse jachtsymboliek en – gebruiken in opdracht van Hermann Göring opnieuw vastgelegd door Walter Frevert.9 Ook de jachtbitter Jägermeister (toen bekend als Göringschnapps), met het waidmanssheil-motto van Oskar von Riesenthal op het etiket, zag het licht. Ondanks dat Frevert één van de kornuiten van Göring was, geldt zijn werk nog steeds als de belangrijkste literatuur op het gebied van Duitse jachttradities, al is de nationaalsocialistische inhoud uiteraard opgeschoond en verwijderd. Het werk van Frevert is in deze historische en ideologische achtergrond natuurlijk problematisch, maar anderzijds heeft het wel geleid tot het een bundeling van bekende gebruiken en tradities die op zichzelf al veel ouder zijn. Het zorgde vooral voor een nieuwe, na-oorlogse impuls in het weidelijkheidsdenken en het zoeken naar een weidelijke jachthouding met bijbehorende uitingen van respect voor, en begrip van, de schepping en alles wat daarin leeft. Het boek ‘de Ware Weidman’ door Friedrich Hülle is daarvan een goede uiting.10 Vanuit die weidelijkheidsgedachte willen we als jagers ethisch en verantwoord omspringen met de natuur en de levende wereld.

Heden en toekomst
Een laatste jachttraditie die we in het huidige digitale tijdperk zien op sociale media is het Erlegerbild of de trofeefoto. De jager staat daar vaak op met een geschoten dier als herinnering aan de jachtdag. Ik ben van mening dat zulke foto’s alleen voor privégebruik zijn en vanuit goede beeldetiquette niet op de sociale media thuishoren. De foto verwordt dan al snel van een respectvolle herinnering tot een roep om aandacht en prestige. Wilt u toch zo’n foto delen, zorg dan dat deze eerbied uitstraalt. De jager is niet aanwezig op de foto of deze heeft een ingetogen houding en zit nooit op of tegen het dier. Het dier ligt in zijn natuurlijke omgeving, respectvol geplaatst op de juiste zijde met het hart naar de hemel, liefst met bijbehorende breuken.11 Het geweer hoort bij de jager en ligt dus ook niet tegen of op het dier. Besef u altijd dat gebruikers van sociale media, waaronder veel jagers, niet zitten te wachten op afbeeldingen van dode dieren en dat iedereen toegang heeft tot deze afbeeldingen.
Vooral in deze huidige tijd waarin de houding van de jager sterk onder het vergrootglas ligt is het belangrijk dat we ons als jagers afvragen waarom we jagen en hoe. We beschikken over steeds meer voordelen ten opzichte van het wild, zoals warmtebeeldkijkers en wildcamera’s. De weidelijkheidsethiek vraagt juist dat we ons als jager beperken, het wild verzorgen en vooral genieten van de verbinding met de levende wereld om ons heen. Rituelen en tradities van verzoening, respect en (zelf)reflectie spelen daarin een uitermate belangrijke rol en evolueren verder naast de huidige jachtpraktijk. Ze verbinden de jager met de leefwereld en de belevingswereld, zijn een uiting van professionaliteit en van bevlogenheid met de jacht en de jachtcultuur en liggen ten grondslag aan een ethische, weidelijke levenshouding.
- Moling 2020, Wie wir Jagen wollen. ↩︎
- Iltis 2012, Ritual as the creation of social reality. ↩︎
- Seitz 2010, Hunting for meaning. ↩︎
- Zie ook Magometschnigg 2008, Jagdkultur: Weidgerechtigkeit, Kunst & Brauchtum. ↩︎
- Duerr 2010, The fear of the lord.
Ortega y Gasset 2007, Meditations on hunting.
Vitali 2010, But they can’t shoot back. ↩︎ - Duerr 2010. ↩︎
- Pattison 2016, Do not Give that which is Holy to Dogs. ↩︎
- Zie ook Wittenboer & Lane 2021, Uitvinding van tradities? ↩︎
- Frevert 2020, Jagdliches Brauchtum und Jägersprache. ↩︎
- Hülle 1944. De ware weidman. ↩︎
- De linkerzijde ligt niet alleen naar de hemel vanwege de plek van het hart binnen het lichaam, maar ook omdat het dan met de rechterzijde verbonden blijft met de bodem waarop het dier leefde. De rechterzijde wordt in veel culturen beschouwd als de ‘goede’ of ‘juiste’ zijde van het lichaam (zie o.a. Magometschnigg 2008). ↩︎
Vandaag bereikten mij weer de berichten van boze voorbijgangers in het jachtveld die jagers filmen en ‘ze nog wel te pakken zullen nemen’.’ Op mijn werk las ik in ‘De Dierenbevrijders’ van Jeroen Siebelink over anti-jachtactivisten die hoogzitten en jachthutten saboteren. In de praktijk ken ik collega-jagers die door dit soort fratsen flink lichamelijk letsel hebben opgelopen. Maar omdat het ‘dierenmoordenaars’ zijn verdienen ze blijkbaar niet beter. Afgelopen december kreeg ik vanuit een passerende auto de meest grove verwensingen naar mijn hoofd geslingerd toen ik op jacht was. “Jagers zijn hypocrieten. Ze claimen van dieren te houden, maar knallen ze vervolgens kapot”, is dan weer de bekende retoriek. Daarnaast hoor je verhalen over boze jagers die dan weer ruzie zoeken met de anti-jagers en de verwensingen terug hun kant op slingeren. Een weidelijk jager respecteert de ander, maar ook zijn eigen integriteit. Zolang we schreeuwen, gaat de mogelijkheid tot dialoog verloren.
Ik kan echter prima verantwoorden wat ik doe en waarom ik dat doe, op alle vlakken van mijn leven. Als ik iets niet ethisch of moreel kan verantwoorden, doe ik het niet. Ik gedraag me naar mijn morele kompas, zoek het fatsoen in etiquette en protocol en ik stuur op empathie en vriendelijkheid richting alle wezens. Het jagen komt voort uit een dieper inzicht, uit een besef van de noodzaak van gericht faunabeheer en natuurbeheer. Mijn achtergrond in ecologie, archeologie en boeddhistische studie zijn daarin grotendeels mijn referentiekader, naast de wil om te leren en te willen begrijpen. Reflecteren en ervaringen delen met anderen brengt inzicht, het onderzoeken van die inzichten brengt wijsheid.
Ik heb vaak goede gesprekken met mensen in mijn kennissenkring en ver daarbuiten. Daaronder zijn biologen en ecologen, geestelijken, vegetariërs, veganisten, milieuactivisten, dierenhulpverleners, jagers, terreinbeheerders, boeren, bushcrafters, rewilders, filosofen. Eigenlijk kan ik goede gesprekken voeren met iedereen. We hoeven het absoluut niet met elkaar eens te zijn, zo lang we elkaar maar blijven tolereren, accepteren en inspireren.
In mijn eerste post berichtte ik al over deze problematiek. Bekijk het verhaal eens vanuit zo veel mogelijk invalshoeken. Deel je kennis, je ervaringen en je mening. Verifieer. Falsifieer. Wees lief voor elkaar en voor de dieren. Dat moest me van het hart.