Als boeddhist en natuurmens probeer ik dikwijls eventjes ‘mindful‘ stil te staan bij de kleine dingen die me gelukkig maken. Dat kunnen goede gesprekken zijn met collega’s of klanten op het werk, met mijn partner, met vrienden of een toevallige voorbijganger. Maar meestal zijn het kleine natuurfragmentjes die me even doen stilstaan en genieten. Afgelopen week was dat bijvoorbeeld de regen die tegen het raam tikte terwijl ik een kop thee dronk. Maar ook als ik ’s ochtends naar mijn werk fiets passeer ik dagelijks een broedende Canadese gans die me dan nakijkt, en gisteren zag ik een fazant die luidkeels kokkerde en zicht uitschudde in de regen.
Wandelaars en andere buitenmensen zullen deze natuurfragmentjes vast herkennen. Ochtendmist, de kleur van ontluikend groen, herfstkleuren, stormlucht boven het schemerende boerenland, de geur van een sparrenbos, het gevoel van mos, de zonsopgang boven de akkers, de kou van de eerste vorst die je inademt, de stilte van een winterochtend, het ruisen van de zingende bossen of de smaak van de eerste bramen. Het zijn stuk voor stuk van die kleine elementen die je doen beseffen dat geld, carrière of faam er niet toe doen. Daarin merk je dan meteen weer op dat wij als levende wezens niet onafhankelijk bestaan van alle andere dingen. U kent de uitdrukking wel: “we zijn allemaal sterrenstof”, we bestaan allemaal uit hetzelfde materiaal dat bij de oerknal vrijkwam.
Mooie natuurfragmenten, vastgelegd door Rien Poortvliet (1932-1995).
Ook kan ik enorm genieten van de manier waarop het licht tussen de bomen hangt of hoe de lichtstralen door het bladerdak vallen in een zonneharp. Een jakobsladder vanuit de wolken doet me dan weer aan mijn moeder denken. “De hemel is even open”, zei ze toen ze nog leefde. Nu ze er niet meer is, denk ik bij het zien van zo’n zonnestraal nog meer aan haar.
Mijn moeder zag een ree ook altijd als een soort ‘boodschapper’ van haar overleden vader, een boswachter en jachtopzichter. Nu zie ik een reegeit met kalf weer als een soort boodschapper van mijn moeder. De natuur verbindt je op geestelijk niveau weer met het alles, het universum, de levenskracht of het goddelijke. De natuur vervult altijd een deel van ons menselijk godsbegrip.
Soms vinden we dezelfde gevoelens die de natuurfragmenten oproepen ook terug in de kunsten, in bijvoorbeeld een muziekstuk, een schilderij, een tekening of een balletvoorstelling. Als we even stilstaan verbindt en vervult de natuur ons op het diepste niveau. Die realisatie, dat is een moment van mindfulness, van bewust zijn. Op zo’n momentje leef je in het hier en het nu. De natuur is universeel, we kunnen ons er niet van losmaken en we en we kunnen er niet aan ontsnappen. Gelukkig maar, dan kunnen we altijd even stilstaan en genieten van onze eigen natuur.
Het volgende artikel is in april 2025 gepubliceerd als openingsartikel in ‘De Jager’, het maandblad van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging. Hieronder vindt u de originele, niet-geredacteerde tekst, zodat deze ook beschikbaar is voor de lezers van mijn weblog. Tevens kunt u via de voetnoten de gebruikte literatuur terugvinden. Onder het kopje ‘bibliografie’ in de header van de website kunt ueen uitgebreide literatuurlijst terugvinden.
Een schot rolt door de heuvels, een wild zwijn blijft roerloos liggen in het maanlicht. Even later knielt de schutter naast het zwijn en plaatst een stukje afgebroken groen in de bek van het dier, dat op de rechterzijde wordt gelegd, het hart richting de hemel. Een tweede takje van handpalmgrootte wordt op het hart geplaatst met de afgebroken kant richting de staart. Jagers weten dat het dus om een zeug gaat. Na een overdenking bij het dier haalt de jachthouder het takje door het ‘zweet’ en overhandigt het aan de schutter, die het op de rechterzijde van de hoed plaatst. Het dier wordt ‘in bezit genomen’ vanuit de natuur en terug bij de auto komt de jachthoorn tevoorschijn en het signaal ‘Sau tot’ schalt door de nacht. Laat in de nacht stopt de schutter nog bij een Hubertuskapelletje en hangt daar zijn breuk aan het hekwerk na een kort moment van bezinning. Thuis wordt het zwijn ontweid en de jagers drinken een jachtbittertje, het zogenaamde dooddrinken. Zo verging mij het schieten van mijn eerste wild zwijn. Het was een avond vol spanning, maar ook vol reflectie, rituelen en tradities.
Afbeelding 1: De breuk van de jachthouder en van een jachtvriend bij de lokale Hubertus-kapel, zoals hierboven beschreven, na het schieten van mijn eerste wild zwijn.
Jachtrituelen, symboliek en traditie zijn voor mij van kinds af aan wezenlijk onderdeel van het leven en dus ook van de jacht. Jagen wordt in veel culturen als spiritueel ervaren en voor mij persoonlijk is het jager zijn zeker een spirituele en bewuste levensstijl. Rituelen en tradities brengen deze spirituele beleving en dus ook het bewust leven terug bij de jagende mens. Deze rituelen en tradities liggen ook aan de basis van het weidelijkheidsprincipe, het morele kompas van de jager. Moraaltheoloog Markus Moling stelt dat weidelijkheid geen bijproduct is van het jagen, maar dat jagen juist een bijproduct is van een morele levensstijl.1 Weidelijkheid is dus in feite een ethos, een vorm van handelen die hoort bij een ethische levenswijze in balans met de natuur en de levende wereld.
Traditie en ritueel
De jacht wordt van generatie op generatie overgeleverd, waarbij elke jager gebruiken krijgt aangeleerd door zijn medejagers. Van het gebruik van breuken en het blazen op de jachthoorn tot een kop koffie na de jacht of de samenkomst bij de jachthut, iedere jager en jagersgroep kent bepaalde vaste handelingen die verworden zijn tot tradities. Deze tradities bestaan vaak ook uit rituelen. Rituelen zijn herhaalde gebruiken en handelingen met een diepere betekenis en symboliek. Vaak kan die symboliek alleen begrepen worden door de sociale groep die de rituelen toepast, hier dus de weidelijke jagers, en bakent de sociale grenzen af van het lidmaatschap aan de jagerswereld.2 Een goed voorbeeld daarvan is het gebruik van jagerslatijn, de taal die jagers onderling spreken. De jager spreekt bijvoorbeeld van zweet, lopers, hegen, hals geven en pekelen.
Rituelen zorgen voor sociale binding binnen de groep en ze zorgen dat we onze plaats als jager binnen de wereld, samenleving en geschiedenis kunnen duiden. Ze geven zin aan onze handelingen als jager en op die manier kunnen we verklaren hoe en waarom we jagen. Daarnaast veranderen rituelen en tradities ook steeds en zijn aan de huidige tijdsgeest onderhevig. Ze spelen vooral een belangrijke rol bij emotionele en ingrijpende gebeurtenissen in het leven, met name gebeurtenissen waar we weinig controle over kunnen uitoefenen. De dood is bijvoorbeeld altijd sterk omkleed met rituelen. Leven en dood en het begrijpen van onze plaats als mens binnen de natuur en het ecosysteem zijn uiteraard hoofdthema’s binnen de jacht. Het doden van een levend wezen is altijd traumatisch voor een mens, bewust of onbewust.3 Het komt binnen. Ritueel biedt dan houvast en zingeving. Niet voor niets spelen ritueel en tradities dan ook een belangrijke rol in veel inheemse culturen die gebaseerd zijn op een afhankelijkheid van jacht.
Quid pro Quo
De vroegste vormen van jacht door onze voorouders in het paleolithicum, mesolithicum en de rest van de prehistorie tonen vooral hoe de jacht een gezamenlijke inspanning was, waaruit ook een goede vorm van sociale organisatie blijkt. Grotschilderingen van jachtdieren en de resten van jachtwapens, jachtkampjes, slachtplekken en killsites geven ons een inkijk in de jachtbeleving van onze voorouders, naast de gebruiken die bij veel inheemse natuurvolkeren nog worden nageleefd in de huidige tijd. Mensen die door jagen in balans leven met de natuur ontwikkelen een gezonde eerbied voor de onverschilligheid van de natuur en de gevaren van de jacht. Spirituele voorbereiding op de jacht en het willen beïnvloeden van de jachtdieren of afsmeken van de natuur zijn vaak het hoofdthema van jachtrituelen.4 Daarnaast zijn de rituelen ook een uiting van dankbaarheid en respect voor de natuur en van verzoening met de gedode dieren.
Het idee dat geen enkel levend wezen wil worden gedood leidt vanzelf tot een gevoel van schuld bij de bewuste jager. “Quid pro quo”: voor wat, hoort wat.5 Veel jachtculturen kennen daarom verzoeningsgebruiken. De letzter bissen, het groen dat als verzoeningsoffer in de bek van een geschoten dier wordt geplaatst, is daarvan een goed voorbeeld. Het ritueel begraven van bijvoorbeeld het hart of een hoef van een dier op een bepaalde feestdag zou ervoor zorgen dat dieren weer spiritueel worden teruggegeven aan de natuur.6 Vaak is daarbij een bepaalde figuur, vaak een geest, godheid of heilige als ‘meester der dieren’ aangewezen. In onze christelijke traditie kennen we die ook, bijvoorbeeld Sint Hubertus. De jaarlijkse Hubertusvieringen rond 3 november dienen nog steeds als een smeekbede voor een veilige en goede jacht en als een ritueel waarin de jagers toestemming vragen om de goddelijke schepping te mogen benutten. Godinnen als Diana/ Artemis zijn nog steeds populair in de Europese traditie, de Sámi kennen Possjoakka als jachtgod en de Germaans-Keltische traditie kende bijvoorbeeld de godin Arduinna, aan wie de Ardennen mogelijk hun naam ontlenen.
Afbeelding 2: Jachttraditie. Op mijn jachthoed draag ik o.a. een Hubertusspeldje en de veer van mijn eerst geschoten Nijlgans, maar ook een veertje van een Vlaamse Gaai dat ooit op de jachthoed van mijn vader zat en een jachthoorntje om aan te geven dat ik jachthoornblazer ben.
Aan de meester of meesteres der dieren moet dus toestemming worden gevraagd om te mogen jagen. Via rituelen, bijvoorbeeld een dans of een zweetsessie in een sauna of zweethut worden jagers voorbereid op de jacht en na de jacht ook weer ritueel gereinigd. Dat brengt ook weer bezinning en reflectie met zich mee en helpt de jagers omgaan met conflicterende emoties rond het jagen. De meester der dieren personifieert uiteindelijk de ethische regels die nodig zijn om op een verantwoorde, morele wijze te jagen. Die regels voorkomen stroperij en overbejaging. Ons weidelijkheidsprincipe is hiermee te vergelijken.
Bloed, bestraffing en eerbied
Verzoeningsgebruiken lijken ver terug te gaan in de menselijke geschiedenis en zijn waarschijnlijk even oud als de eerste jagende mensen. Ze zetten ook aan tot een eerbiedige omgang met het wild, zowel levend als na het schot. Hart, kop, en vooral bloed van een dier worden gezien als de heilige levenskracht van het dier en vragen dus om een speciale behandeling. Een jachttraditie die we tegenwoordig nog kennen en die waarschijnlijk ook eeuwen oud is, is het zogenaamde ‘bloedigen.’ Nadat een jager zijn of haar eerste dier heeft geschoten, tegenwoordig vaak grofwild, wordt het bloed van het dier in het gezicht van de jager gesmeerd. Het is een rite de passage, een overgangsritueel van niet-jager naar jager dat we in veel jachtculturen terugzien. Het is in Europa gebruikelijk dat er drie kruisen op het gezicht worden gemaakt, op beide wangen en het voorhoofd. Dit staat symbool voor het hert met een kruis tussen de geweistangen uit de Christelijke Hubertuslegende. Het verschijnen van zo’n legendarisch dier dat namens een godheid spreekt komen we ook weer in veel jachtculturen tegen.
Het curée-ritueel uit de Middeleeuwse parforcejacht is ook een bloedritueel, waarbij de ingewanden van een gedood dier aan de honden worden gegeven na het ontweiden in het veld. Het bloed van het dier werd daarbij vaak vermengd met brood en de kop en het hart van het dier werd met respect behandeld. Het gold als beloning voor de honden, maar was daarnaast vooral een ritueel van dank aan het dier en aan de meester der dieren of aan God. Het ritueel toont immers een sterke gelijkenis met het Christelijke ritueel van de Eucharistie, waarbij brood en wijn veranderen in het allerheiligste: lichaam en bloed van Christus.7 Bij de huidige jacht te paard, vooral in de Britse en Franse traditie, krijgen de honden nog steeds tijdens hoorngeschal pens te eten als curée na een succesvolle jacht, waarbij alle jagers aanwezig zijn in een moment van bezinning.
Een ander oud gebruik is het bestraffen van een ‘slechte’ jager. In de Amerikaanse, Zuid-Afrikaanse en Australische jachttraditie wordt er bijvoorbeeld een stuk van het hemd afgeknipt als vorm van ‘bestraffing’ wanneer men een dier aanschiet of mist. In Duitsland kent men het ’Jagdgericht’, waarbij de jager zich in een schijnrechtszaak moet verantwoorden voor de medejagers en de geschoten dieren. Als boetedoening moet hij bijvoorbeeld een rondje geven of een ludieke opdracht vervullen. De schaamte dragen van zijn daden ten overstaan van zichzelf en de andere jagers weegt natuurlijk zwaarder op het geweten. Vroeger werd de jager vaak fysiek bestraft door een klap op het achterwerk met de platte kant van een jachtmes of weidblad, soms liggend over een dood dier. Dit soort gebruiken zijn tegenwoordig vanuit ethisch en hygiënisch perspectief uiteraard niet langer houdbaar, net zoals bijvoorbeeld het oude gebruik van het rauw eten van hart of lever van een geschoten dier. Rituelen evolueren, zoals gezegd, altijd mee met de huidige tijdsgeest.
De taal van de breuken, afgebroken (en dus niet afgesneden) takken die als geleidingstekens worden geplaatst, kennen we in Nederland vrijwel niet meer. In de Duitse en Oostenrijkse jachtopleiding wordt er nog uitgebreid aandacht aan besteed. De ‘inbezitnamebreuk’ op de hoed, zoals eerder beschreven, kennen we daarentegen wel. Ook de ‘feestbreuk’ die op feestdagen op de linkerzijde van de hoed wordt gedragen zien we nog terug. De ‘treurbreuk’ is een variatie hierop die gebruikt wordt bij bijvoorbeeld een overlijden, waarbij de bladeren naar de binnenzijde van de hoed zijn gekeerd. Het overhandigen van de breuk kennen veel Nederlandse jagers van de Duitse gezelschapsjachten. Dat hoort traditioneel plaats te vinden vanaf het blad van een jachtmes, maar vaak wordt de breuk ook met de hand overhandigd. Het is een moment van respect en bezinning. Men hoort dus bijvoorbeeld niet te applaudisseren.
Het tableau uitleggen volgens specifieke regels en rangorde is ook een traditie die we in Nederland kennen, vooral vanuit de Duitse traditie. Vroeger werden de dieren vaak in rijen neergelegd of op een boerenkar of stellage uitgestald na de jacht. Vaak liggen de dieren tegenwoordig op dennentakken en op de hoeken van het tableau staan fakkels of vuurkorven. Het tableau biedt de jagers reflectie over de jachtdag en is een eerbetoon aan de organisatoren en aan de dieren zelf. De succesvolle schutters en jachthonden krijgen een breuk uitgereikt en als laatste daad van verzoening wordt het wild ‘doodgeblazen’ op de jachthoorn. Het aansluitende samenzijn van jagers zorgt dan voor verbinding en het verwerken van de jachtdag in het samenzijn van gelijkgestemden. Ook hier komt uiteraard het jagerslatijn terug in de vorm van sterke verhalen en jachtavonturen.
Jachttraditie in Nederland
Hoewel er tal van sporen van jachttraditie terug te vinden zijn in ons land, kent Nederland weinig cultuureigen jachttradities. De eendenkooi en het maken van houten lokeenden en broedkorven zijn daarnaast wel een stukje Nederlands jachterfgoed. Ook het unieke jachthuis Sint Hubertus en jachtlandschappen op landgoederen, zoals sterrenbossen en de historische jachtpaden en dreven op bijvoorbeeld de Veluwe zijn cultuurhistorische en materiële uitingen van jachttraditie en jachtcultuur die we in Nederland terugzien. Op het gebied van tradities en rituelen is vooral leentjebuur gespeeld bij buurlanden. De jacht was van oudsher een adellijk voorrecht en de symboliek en tradities werden dan ook vaak bepaald door de machthebbers zoals de vorstenhuizen en het hof.
We mogen er vanuit gaan dat de vroegste bewoners van de Lage Landen er verschillende jachtrituelen op nahielden zoals die nog bestaan bij inheemse volkeren die verbonden zijn met de jacht. De hoofse middeleeuwse parforcejacht te paard en de valkenjacht dienden voornamelijk als krijgsoefening en als vertoon van pracht en praal. Vooral het eren van de honden en jachtvogels en het uiten van dynastieke macht stonden centraal. De curée, zoals hierboven genoemd en het verdelen van de buit waren echter complexe rituelen waarbij zowel de aanwezigen als de natuur werden geëerd. De moderne jachthoorn en jachttermen als halali vonden vanuit deze traditie hun weg naar onze jachtcultuur. Door huwelijken met het Britse koningshuis in de 17e en 18e eeuw en met name onder stadhouder Willem III als koning van Engeland, werden Britse tradities ingevoerd in de Nederlandse jachtcultuur, vooral door de adellijke Bentincks.8 Terwijl Nederland in rap tempo ontbost werd, werden juist nieuwe bossen en wildbanen aangelegd voor de jacht, bijvoorbeeld rond de huizen Velder, Middachten en het Loo.
Afbeelding 4: Koning-Stadhouder Willem III op jacht op het Loo (1696), door Dirk Maas 1659-1717). National Gallery of Ireland.
Het element van good sportsmanship vond ook zijn weg naar Nederland, een nieuwe impuls voor het weidelijkheidsdenken. De jacht kreeg namelijk een sportelement. Het wild kon makkelijker ontkomen en de jager moest dus goed te werk gaan om succes te behalen. Rond het begin van de twintigste eeuw, met name onder invloed van prins Hendrik, vond de Duitse jachtcultuur zijn weg naar Nederland, waaronder de Duitse weidelijkheidsprincipes, het dragen van loden jachtkleding en de Duitse jachthoorns als de Fürst-Pless en de Parforcehoorn die de Franse trompe de chasse grotendeels vervingen. Ook het echtpaar Kröller-Müller introduceerde de Duitse jachtsymboliek verder in het Nederlandse jagerswezen.
Tijdens het Nationaal-Socialistisch regime van de jaren ’30 en ‘40 werden de Duitse jachtsymboliek en – gebruiken in opdracht van Hermann Göring opnieuw vastgelegd door Walter Frevert.9 Ook de jachtbitter Jägermeister (toen bekend als Göringschnapps), met het waidmanssheil-motto van Oskar von Riesenthal op het etiket, zag het licht. Ondanks dat Frevert één van de kornuiten van Göring was, geldt zijn werk nog steeds als de belangrijkste literatuur op het gebied van Duitse jachttradities, al is de nationaalsocialistische inhoud uiteraard opgeschoond en verwijderd. Het werk van Frevert is in deze historische en ideologische achtergrond natuurlijk problematisch, maar anderzijds heeft het wel geleid tot het een bundeling van bekende gebruiken en tradities die op zichzelf al veel ouder zijn. Het zorgde vooral voor een nieuwe, na-oorlogse impuls in het weidelijkheidsdenken en het zoeken naar een weidelijke jachthouding met bijbehorende uitingen van respect voor, en begrip van, de schepping en alles wat daarin leeft. Het boek ‘de Ware Weidman’ door Friedrich Hülle is daarvan een goede uiting.10 Vanuit die weidelijkheidsgedachte willen we als jagers ethisch en verantwoord omspringen met de natuur en de levende wereld.
Afbeelding 5: Foto van Oberforstmeister Walter Frevert uit zijn boek ‘Abends bracht’ich reiche Beute’ (1963). Hoewel hij een Nationaal Socialist was met flinke wandaden op zijn kerfstok, was zijn jachtgerelateerde werk vormend voor een nieuwe, na-oorlogse, ethische beschouwing van het jagerswezen en de opname van weidelijke regels in de jachtwet.
Heden en toekomst
Een laatste jachttraditie die we in het huidige digitale tijdperk zien op sociale media is het Erlegerbild of de trofeefoto. De jager staat daar vaak op met een geschoten dier als herinnering aan de jachtdag. Ik ben van mening dat zulke foto’s alleen voor privégebruik zijn en vanuit goede beeldetiquette niet op de sociale media thuishoren. De foto verwordt dan al snel van een respectvolle herinnering tot een roep om aandacht en prestige. Wilt u toch zo’n foto delen, zorg dan dat deze eerbied uitstraalt. De jager is niet aanwezig op de foto of deze heeft een ingetogen houding en zit nooit op of tegen het dier. Het dier ligt in zijn natuurlijke omgeving, respectvol geplaatst op de juiste zijde met het hart naar de hemel, liefst met bijbehorende breuken.11 Het geweer hoort bij de jager en ligt dus ook niet tegen of op het dier. Besef u altijd dat gebruikers van sociale media, waaronder veel jagers, niet zitten te wachten op afbeeldingen van dode dieren en dat iedereen toegang heeft tot deze afbeeldingen.
Vooral in deze huidige tijd waarin de houding van de jager sterk onder het vergrootglas ligt is het belangrijk dat we ons als jagers afvragen waarom we jagen en hoe. We beschikken over steeds meer voordelen ten opzichte van het wild, zoals warmtebeeldkijkers en wildcamera’s. De weidelijkheidsethiek vraagt juist dat we ons als jager beperken, het wild verzorgen en vooral genieten van de verbinding met de levende wereld om ons heen. Rituelen en tradities van verzoening, respect en (zelf)reflectie spelen daarin een uitermate belangrijke rol en evolueren verder naast de huidige jachtpraktijk. Ze verbinden de jager met de leefwereld en de belevingswereld, zijn een uiting van professionaliteit en van bevlogenheid met de jacht en de jachtcultuur en liggen ten grondslag aan een ethische, weidelijke levenshouding.
De linkerzijde ligt niet alleen naar de hemel vanwege de plek van het hart binnen het lichaam, maar ook omdat het dan met de rechterzijde verbonden blijft met de bodem waarop het dier leefde. De rechterzijde wordt in veel culturen beschouwd als de ‘goede’ of ‘juiste’ zijde van het lichaam (zie o.a. Magometschnigg 2008). ↩︎
Vandaag bereikten mij weer de berichten van boze voorbijgangers in het jachtveld die jagers filmen en ‘ze nog wel te pakken zullen nemen’.’ Op mijn werk las ik in ‘De Dierenbevrijders’ van Jeroen Siebelink over anti-jachtactivisten die hoogzitten en jachthutten saboteren. In de praktijk ken ik collega-jagers die door dit soort fratsen flink lichamelijk letsel hebben opgelopen. Maar omdat het ‘dierenmoordenaars’ zijn verdienen ze blijkbaar niet beter. Afgelopen december kreeg ik vanuit een passerende auto de meest grove verwensingen naar mijn hoofd geslingerd toen ik op jacht was. “Jagers zijn hypocrieten. Ze claimen van dieren te houden, maar knallen ze vervolgens kapot”, is dan weer de bekende retoriek. Daarnaast hoor je verhalen over boze jagers die dan weer ruzie zoeken met de anti-jagers en de verwensingen terug hun kant op slingeren. Een weidelijk jager respecteert de ander, maar ook zijn eigen integriteit. Zolang we schreeuwen, gaat de mogelijkheid tot dialoog verloren.
Ik kan echter prima verantwoorden wat ik doe en waarom ik dat doe, op alle vlakken van mijn leven. Als ik iets niet ethisch of moreel kan verantwoorden, doe ik het niet. Ik gedraag me naar mijn morele kompas, zoek het fatsoen in etiquette en protocol en ik stuur op empathie en vriendelijkheid richting alle wezens. Het jagen komt voort uit een dieper inzicht, uit een besef van de noodzaak van gericht faunabeheer en natuurbeheer. Mijn achtergrond in ecologie, archeologie en boeddhistische studie zijn daarin grotendeels mijn referentiekader, naast de wil om te leren en te willen begrijpen. Reflecteren en ervaringen delen met anderen brengt inzicht, het onderzoeken van die inzichten brengt wijsheid.
Ik heb vaak goede gesprekken met mensen in mijn kennissenkring en ver daarbuiten. Daaronder zijn biologen en ecologen, geestelijken, vegetariërs, veganisten, milieuactivisten, dierenhulpverleners, jagers, terreinbeheerders, boeren, bushcrafters, rewilders, filosofen. Eigenlijk kan ik goede gesprekken voeren met iedereen. We hoeven het absoluut niet met elkaar eens te zijn, zo lang we elkaar maar blijven tolereren, accepteren en inspireren.
In mijn eerste post berichtte ik al over deze problematiek. Bekijk het verhaal eens vanuit zo veel mogelijk invalshoeken. Deel je kennis, je ervaringen en je mening. Verifieer. Falsifieer. Wees lief voor elkaar en voor de dieren. Dat moest me van het hart.
Persoonlijk ben ik altijd onder de indruk van Anne Kuik, politica bij het CDA. Zij zet zich in tegen mensenhandel en voor gerechtigheid en fatsoen in de samenleving. Maar ook schrijft ze vaak goede, kritische stukje over bijvoorbeeld (draadloze) oortjes en de ontwrichtende werking ervan op onze samenleving. Oortjes zijn natuurlijk niets nieuws, als tiener liep ik ook met een walkman en later met een discman en MP3-speler rond. Maar wat me zo langzamerhand opvalt is dat, sinds de komst van de draadloze oortjes, mensen zich overal lijken af te sluiten van de buitenwereld. Niet alleen met hun aandacht zijn ze vaak verzonken in hun telefoon, ook hun zintuigen worden door de oortjes afgesloten van de realiteit.
Één van de meest ergerniswekkende situaties vind ik mensen met oortjes in tijdens het autorijden, vooral van die noise cancelling oortjes. Het spreekt voor zich hoe gevaarlijk dat kan zijn als die oortjes de bestuurder afsluiten van de omliggende verkeerssituatie! Natuurlijk snap ik ook dat een enkel oortje gebruikt kan worden om handsfree te bellen, dat is dan weer veiliger dan met een telefoon in de hand rijden. Maar nog irritanter, of op zijn minst bizar vind ik, u voelt het al aankomen, het dragen van oortjes in het bos.
Afbeelding 1: Wandelen doe je blijkbaar met oortjes in, zodat je naar een podcast kunt luisteren.
Vanochtend gebeurde het weer: ik maakte met mijn hond een heerlijke ochtendwandeling in het lokale bos. Nu de lente begint loop ik dan te genieten van het lied van de roodborstjes en de zanglijster, het geluid van de tjiftjaf, de roep van de bonte specht en diens gehamer tussen de boomstammen en het geluid van de wind die door de sparren ruist, de eeuwig zingende bossen. Ik moet mijn ergernis slechts even beteugelen als er weer loslopende honden voorbij schieten in een gebied waar duidelijk is aangegeven dat honden aan de lijn moeten.
Enfin, daar gebeurt het. In een oude beukenlaan komt een man het pad op gelopen die ik al een minuut lang kon horen voordat ik hem kon zien. Twee witte, draadloze oortjes prijken in zijn oren. Hij staart ergens naar een willekeurig punt in de verte en lijkt tegen de bomen te brullen: “Nee, nee, zorg maar dat ze het geregeld krijgen. Ze kunnen ook helemaal niks op die afdeling. Jezus, wat doen ze daar eigenlijk?!” Ik probeer oogcontact te maken en tik tegen de rand van mijn pet om de man te begroeten en wens hem een “goedemorgen.” Uiteraard komt de boodschap niet aan. Ik vervolg de wandeling en zie een reegeit liggen tussen de bramen. Even later komt er een hardloopster langs in felle kleurtjes. Ook weer oortjes in, al knikt ze vriendelijk in het voorbijgaan. Het duurt vervolgens niet lang voor ik twee oudere dames tegenkom, die niet met elkaar in gesprek zijn maar ook allebei als een soort zombies voorbij schuifelen, wederom met oortjes in. Ik wandel vaak en veel, maar ik draag nooit oortjes. Je gaat toch wandelen om te genieten van de wereld om je heen?
Ik vraag me dan ook af waarom die mensen specifiek in het bos gaan wandelen. Ze kunnen dat net zo goed elders doen, ze zijn toch niet met hun aandacht bij het bos. Een paar blokjes rond hun eigen huis gaat ook prima met die oortjes in. Wanneer ik in het bos loop, dan ben ik als vanzelf verbonden met de wereld om me heen. Ik hoor de vogels, de wind, de dieren en de geluiden van het platteland. Ik kijk om me heen naar de dieren, de manier waarop het licht door de boomtakken valt. Ik zoek sporen op de grond, kijk naar de wildwissels en bekijk de ontluikende planten en bloesems die de lente zo mooi maken. Bij een vennetje stop ik even om naar het waterleven te kijken. Soms let ik even bewust op mijn ademhaling, een soort loopmeditatie, om nog directer verbonden te zijn met het huidige moment. Als ik een bankje tegenkom ga ik even zitten en geniet van het bos in al haar lentepracht. En ik denk bij mezelf: Die mensen met oortjes in missen dit allemaal!
Thuis gekomen zie ik in het lokale weekblad een artikeltje over ‘bosbaden’ of shinrin-yoku, een relatief nieuwe hype en therapievorm waarbij wandelen en meditatief het bos ingaan en verbonden zijn met het bos centraal staan. Compleet met een afbeelding van twintigers en dertigers, gestoken in hippe yogapakken of wandelkleding. In Japan, waar het bosbad-principe vandaan komt, bestaat het bosbaden uiteraard al veel langer. Er bestaan zelfs bosbaden-coaches of shrinrin-yoku-natuurgidsen! Misschien heb ik mijn roeping gemist? Ik doe immers blijkbaar niets anders dan bosbaden!
Voor mij is dit ‘bosbaden’ een normale gang van zaken, elke keer als ik in het bos of in het buitengebied ben. Of ik nu wandel, bezig ben met een telling of op jacht ben, ik probeer altijd bewust te zijn van mijn plek in de natuurlijke wereld. Voor mij hoeft die ‘bosbad’-stempel daar niet opgedrukt te worden. En waar maak ik me eigenlijk druk over?! Laat die mensen-met-oortjes maar lekker hun ding doen, zo lang ze maar niet lopen te brullen in het bos. Eerlijk is eerlijk, misschien horen ze via die oortjes wel een reclame voor het bosbaden en beseffen ze zich dat er meer is dan de wereld achter het scherm en in hun eigen hoofd. Het bosbaden zou ze in ieder geval goed doen!