Het jachtleven moet de jager tot in het diepst vervullen, maar niet tot een wild verlangen ontaarden…geen moord en schietlust, maar een oneindig groote liefde voor de natuur, voor het bosch en het wild, voor alles wat kruipt en vliegt.”

Friedrich Hülle, De ware weidman

Dit artikel is het originele, niet geredigeerde eerste deel van een tweeluik over het thema weidelijkheid, zoals ook gepubliceerd in De Jager, editie 7-8, juli-augustus 2025. In dit eerste artikel wordt ingegaan op de ontwikkeling en de kernaspecten van het weidelijkheidsprincipe. In het tweede artikel, zal de praktische toepassing van weidelijkheidsethiek worden behandeld. Tevens kunt u via de voetnoten de gebruikte literatuur terugvinden. Onder het kopje ‘bibliografie’ in de header van de website kunt u een uitgebreide literatuurlijst terugvinden.

In mijn vorige artikel over jachtrituelen en hun oorsprong legde ik uit hoe het weidelijkheidsprincipe is ontstaan vanuit het idee dat het doden van een levend wezen leidt tot een gevoel van schuld en hoe rituelen en tradities zowel ten grondslag liggen aan, en tegelijkertijd een uiting zijn van het zogenaamde weidelijkheidsprincipe. Net als deze rituelen verandert het principe van weidelijkheid met de tijd mee. Antropologe Heidi Dahles schreef in 1988 een artikel over weidelijkheid in De Jager, gevolgd door haar in 1990 als boek uitgegeven proefschrift ‘Mannen in het groen.’  Zij stelde dat jagers het principe van weidelijkheid gebruiken ter legitimering van de jacht. Jagers doden dieren, maar doen dat op een weidelijke manier, een juiste manier.1 Maar wat is dan die juiste manier van jagen?

Veel jagers hebben een idee van wat weidelijkheid zou moeten zijn, maar ik kom ook veel beginnende jagers tegen die het een vaag begrip vinden. Binnen de jachtopleiding werd er, naar mijn mening, weinig aandacht besteed aan het thema weidelijkheid. Daar is in 2021/2022 verandering in gekomen met een praktijkonderdeel weidelijkheid binnen de jachtopleiding en het verschijnen van het boek ‘Jagersfatsoen’ van Eric Kemperman.2 In dit boek komt weidelijkheid vooral naar voren als de ‘ongeschreven erecode’ onder jagers, een set regels en opvattingen die jagers onderling hanteren. Daarnaast schetst Kemperman ook veel praktijkvoorbeelden en hij heeft zelfs een persoonlijke gedragscode voor jagers opgesteld. Het boek is een goede introductie op het thema weidelijkheid, maar ik mis persoonlijk soms de diepgang die de Duitse en Oostenrijkse jachtliteratuur ons biedt. Weidelijkheid is een veel breder principe dan een eenvoudig setje regels dat de jager dient te volgen.

Afbeelding 1`: De Ware weidman (1944) en Jagersfatsoen (2021), weidelijkheid blijft een actueel thema binnen de jachtgeschiedenis.

Weidgerechtigkeit

Als diersoort is de mens onderdeel van de natuur en bestaat niet onafhankelijk van de rest van de wereld. De mens heeft een genetische aanleg om te leven als een opportunistische omnivoor, waardoor hij is gaan jagen. Anders dan andere roofdieren en omnivoren, zijn we als Homo sapiens of ‘wetende mens’ echter in staat tot het ontwikkelen van morele regels en ideeën en we kunnen daarover reflecteren in de vorm van ethiek. Ethiek is de manier waarop we nadenken over ‘juist handelen’ en wanneer we ethiek toepassen op de jacht, dan spreken we over weidelijkheid. We kunnen bewust verantwoordelijkheid nemen voor onze acties en de gevolgen daarvan en dat zijn we dan ook verplicht om deugdelijk te kunnen leven.

De term ‘weidelijkheid’ komt van de Duitse term Weidgerechtigkeit. Deze term komt in Duitsland al voor tussen de 12e en de 15e eeuw en komt van de Hoogduitse woorden Weida / Weidon, ‘ter weide’ (de plek waar dieren foerageren) of op jacht gaan en Gerecht, het juiste doen in ethische zin.3 Ethiek is ecologisch gezien een beperking van de vrijheid tot handelen in de strijd om het voortbestaan. Het is een soort gemeenschappelijk instinct van de mens.4
Het gaat dus over de moreel juiste manier van de jachtbeoefening op basis van een ethische levenshouding en een morele levensstijl. In mijn vorige artikel is te lezen hoe in 1934 de Duitse jachttradities werden verzameld en vastgelegd. Dit leidde ertoe dat Weidgerechtigkeit werd opgenomen in de jachtwet, de Reichsjagdgesetz. Sindsdien is het wettelijk verplicht om in Duitsland weidgerecht te jagen.

Volgens de Jagdgesetz omvat Weidgerechtigkeit drie kernaspecten, namelijk het dierenbeschermingsaspect, het omgevingsaspect en het maatschappelijk aspect.5 Binnen de wet staat vastgelegd dat een jager het dierlijk lijden tot een minimum moet beperken, dat hij (u kunt in plaats van ‘hij’ uiteraard ook ‘zij’ lezen) zorg moet dragen voor het Revier en dat hij zich fatsoenlijk moet opstellen richting de medegebruikers van het jachtveld. Uiteraard volgt de weidelijk jager daarnaast de geschreven wetten en is zich ervan bewust dat hij in het bezit is van een vuurwapen en daarmee een wettelijke uitzonderingspositie heeft. Binnen de Nederlandse Omgevingswet geldt ook een zorgplicht voor wild en natuur en het is ook wettelijk verplicht om onnodig lijden bij dieren te voorkomen.6 De basis voor weidelijk jagen bestaat dus mede uit wettelijke bepalingen!

Afbeelding 2: Rituelen en tradities.

Tradities en rituelen, bijvoorbeeld een respectvolle omgang met geschoten wild of het toepassen van de juiste jachtgebruiken zijn echter niet specifiek opgenomen in de wet. Ze vallen onder de ‘ongeschreven’ wetten van de weidelijkheid.7 Om die ongeschreven wetten te herkennen is het handig om te weten dat weidelijkheid is gericht op drie domeinen: de natuurlijke omgeving, het wild en de medemens.

De jager is geen toeschouwer binnen de natuurlijke ordening der dingen, maar verbindt zichzelf bewust met de gehele biotische gemeenschap.8 Hij grijpt waar nodig in en streeft naar balans binnen de natuurlijke ordening. Daardoor ontwikkelt een weidelijke jager ook een steeds groter wordende liefde voor alles wat leeft, waardoor de jager zichzelf gaat beperken.9 Vanuit die houding ontwikkelt hij of zij de twee basispijlers van de weidelijkheid: Beheersing en verantwoordelijkheid. Dit zorgt ervoor dat een weidelijk jager een professioneel, ethisch, sociaal en verantwoord individu is. Respect, mededogen, compassie en goed fatsoen worden daarmee de basiselementen van het weidelijk jagen. Weidelijkheid is meer dan een erecode, het is een gedragssysteem en een ethos, een manier van leven en denken.10

Ontwikkeling van het weidelijkheidsdenken

Mensen beseffen zich dat ze ingrijpen in de natuurlijke ordening wanneer ze op jacht gaan en ze ontwikkelen respect voor de dieren waarop ze jagen.11 Rituelen en tradities, die al sinds de eerste jagers het schuldgevoel over het doden van dieren vormgeven, leidden tot het ontstaan van het ethische overwegingen over de jacht. Jagen gaat daardoor niet over doden, maar over de juiste manier van het doden van wilde dieren.12 Het eren van het ‘offer van het dier’ en respectvol omgaan met de natuur zijn hier uitingen van. Het tegengaan van overbejaging en toepassen van goed wildbeheer zijn ontstaan vanuit dit soort ethische overwegingen. Ethiek zorgt immers voor richtlijnen die ons menselijk handelen ordenen en inperken, maar zorgt ook voor een gevoel van verantwoordelijkheid.13

Één van de oudste ‘weidelijkheidsteksten’ is de Cynegeticus van Xenophon  (ca. 430-355 voor Christus).14 Daarin worden regels gesteld aan de jacht. De kundige jager moet zich matigen en het wild een eerlijke kans geven om te kunnen ontkomen. In de late Middeleeuwen ontstond vanuit ridderlijke idealen het idee van fair chase of good sportsmanship, vooral aan het Franse en Engelse hof.15 De jacht bleef een toonbeeld van kundigheid. Het jachtwild kreeg speelruimte en kon ontsnappen en moet dus juist bejaagd worden.16 Daarnaast werd het als sportief gezien om alleen sterke en moeilijk te bejagen dieren te doden en bij de latere schietjacht was het gebruikelijk om moeilijke schoten als het meest sportief te beschouwen. Het idee van sportsmanship is in de moderne context echter verworden tot het vrijwillig beperken van het gebruik van wapens, gereedschappen en mogelijkheden om het wild te doden en is daarmee nog steeds gericht op de kennis en kunde van de jager.17

Afbeelding 3: Oud-Griekse afbeelding van de zwijnenjacht, British Museum (bron: wikimedia commons).

De Europese adel ging zich vanaf de late vijftiende eeuw steeds meer richten op pronkjachten, waarbij gezien en gezien worden belangrijker werden dan het sportelement van de jacht. De cultuur van de Franse chasse a coure of parforce jacht verbreidde zich sterk richting het Duitse hof. Waar de term ‘weidmänner’ eerder nog werd gebruikt voor de burgerlijke jagers, werd het nu de term waaronder de Duitse jachtopzichters en beroepsjagers aan het hof zich afzetten tegen hun adellijke meesters. Ze namen een erecode aan, die leidde tot het ontstaan van een eigen jachtcultuur en -taal.18 Gedurende de 16e-18e eeuw hielden deze beroepsjagers de beschaafde omgang met het wild hoog in het vaandel. Temidden van tradities en rituelen ontstond zo het feitelijke ‘weidelijkheidsdenken.’

Het idee van sportsmanship waaide in de 17e eeuw over naar Nederland via de huwelijksbanden van de Oranjes met de Britse adel. Britse gamekeepers en hun jachttradities raakten ingeburgerd op jachtsloten als Middachten en het Loo.19 Na de Franse revolutie werden de jacht op klein en groot wild toegankelijk voor het gewone volk. Enerzijds werd jagen daarmee vooral een solitaire aangelegenheid. De jager ging alleen de natuur in en vanuit de 19e 19e-eeuwse Romantiek ontstond het idee van natuurreflectie. De jager besefte zich steeds meer dat hij deel was van het geheel en nam de zorg voor dier en natuur op zich. Het idee van weidelijkheid wortelde zich opnieuw in de jachtwereld.

Anderzijds kwam de nadruk weer te liggen op de functionele jacht om in voedsel te voorzien en de jacht op schadelijk wild door landbouwers. De Duitse en Oostenrijkse Weidmänner organiseerden zich opnieuw in een tegencultuur die zich nog sterker afzette tegen de functionele jachtcultuur van de boeren- en broodjagers. Prins Hendrik (1876-1934) groeide in Duitsland op met het weidelijkheidsdenken en introduceerde het begin twintigste eeuw aan het Nederlandse hof.20 Ook Nederlandse heerjagers begonnen de regels van de ethische jacht expliciet te gebruiken om zich van broodjagers en stropers te onderscheiden.21

Tijdens de Duitse bezetting van 40-45 introduceerden Duitse jachtopzichters in Nederland de in de Jagdgesetz vastgelegde weidelijkheidsregels. In 1945 ontstond er zelfs een ereraad die maatregelen trachtte te nemen tegen onweidelijke jagers. In na-oorlogs Nederland groeide het weidelijkheidsbesef, tot de Jagersvereniging het in 1978 definitief omarmde met het vastleggen van de weidelijkheidsnorm.22 Weidelijkheid werd voor alle jagers definitief deel van de jacht in Nederland, die daardoor niet alleen een functionele vorm van schadebestrijding en faunabeheer is geworden, maar ook een specifieke levensstijl en een cultuurvorm.

Beperking, beheersing en verantwoordelijkheid

Beheersing en verantwoordelijkheid typeren de moderne, weidelijke jager. De jachtpassie moet bijvoorbeeld ondergeschikt zijn aan goed faunabeheer.23 De weidelijk jager neemt de verantwoordelijkheid voor de gezondheid van het wild op zich. Het voorkomen van onnodig lijden bij de dieren heeft daarbij prioriteit. Het doden van dieren is hierbij een middel, niet het doel. In Duitsland noemt men dit ‘Hege,’ wat het best vertaald kan worden door ‘koestering.’24 De jager schiet alleen waar dat nodig is en gaat daarbij veilig en verantwoord te werk. Een weidelijk jager heeft daartoe een groot verantwoordelijkheidsgevoel en begrijpt zijn of haar plek binnen de levende wereld.25 Hij of zij gaat respectvol en bewust om met de natuur en het ecosysteem en ontwikkelt een gedegen natuurkennis. De jager begrijpt wat er in het veld gebeurt, welke dieren en rondlopen en wat er allemaal groeit en bloeit.  Weidelijk en ‘juist’ jagen vergt veel tijd, energie, kennis en passie.26 Jagen is, wanneer op een juiste manier beleefd, een diepe vorm van persoonsontwikkeling waarbinnen het proces belangrijker is dan het resultaat.27

De omgang met het wild is vanzelfsprekend het belangrijkste aspect van weidelijkheid. Jagers beperken zichzelf ten opzichte van het wild omdat ze het leven van hun prooi respecteren. De trekker overhalen zorgt ook voor zelfreflectie en voor een emotionele verbintenis met het dier na het schot.28 Daarom worden de juiste rituelen en tradities in acht genomen, ook wanneer een jager alleen in het veld is, zonder publiek.29 Daarnaast streeft de weidelijke jager ernaar om zoveel mogelijk van het wild te benutten.

Afbeelding 4: Zelfgemaakte wildstoof. De weidelijke jager benut zo veel mogelijk van het geschoten wild.

De jager stelt zich sociaal, met compassie en begrip op naar de medejagers en andere mensen en gaat goed om met zowel voor- en tegenstanders van de jacht. Hij of zij respecteert de grenzen van het jachtveld, houdt zich aan de sociale normen en regels en brengt de jacht niet in diskrediet door onbeschoft handelen. Jagers zijn immers grotendeels afhankelijk van de publieke opinie!30

Vanaf het begin van deze eeuw zijn de kritische beschouwing van de verhoudingen tussen mens en dier steeds meer deel uit gaan maken van ons waardensysteem. De Nederlandse jacht is onder de loep komen te liggen. Via sociale media kunnen snelle meningen en beelden van vermeende misstanden in de jacht razendsnel worden verspreid. Polarisatie zet de pro- en anti- jachtlobby lijnrecht tegenover elkaar. Er is in het laatste decennium ook een hoop veranderd in de jachtwereld. Denk aan de toegenomen deelname aan gezelschapsjachten in met name Duitsland en de opkomst van elektronische hulpmiddelen als nachtzicht- en warmtebeeldoptiek. De manier waarop we jagen is dus, juist nu, belangrijker dan ooit tevoren! De roep om een nieuw weidelijkheidsbesef is hier op zijn plek. Anno 2025 zou dan ook de opvatting moeten heersen dat weidelijkheid de enige houdbare ethische reden is waarom we jagen. Volgens verschillende natuurfilosofen en ethici is weidelijkheid geen bijproduct van de jacht, maar de jacht moet juist een bijproduct zijn van een moreel juiste levenswijze.

In het volgende artikel zal de praktijk van het weidelijk jagen aan bod komen, waardoor de puzzelstukjes beter op hun plaats zullen vallen. Onthoud in ieder geval: als jager moet je vooral rekening houden met je eigen morele kompas. Niet om de jacht te rechtvaardigen, maar om zelf te begrijpen waarom je jaagt. Bij twijfel: voelt een bepaalde handeling niet goed, dan is die vaak ook niet weidelijk.

  1. Dahles 1987; Dahles 1990. ↩︎
  2. Kemperman 2021. ↩︎
  3. Dahles 1990; Frevert 2020; Kemperman 2021; Magometschnigg 2009; Moling 2020, 111-112; Paul 2022, 10-11. ↩︎
  4. Blackburn 2002, 3-6; Magometschnigg 2008, 42; Ortega y Gasset 1989 ↩︎
  5. Zie o.a. Moling 2020; Schwenkel 1935. ↩︎
  6. Omgevingswet, Artikel 11.27 & 11.28 van Besluit Activiteiten Leefomgeving, zie ook: Artikel 11.27 Besluit activiteiten leefomgeving. ↩︎
  7. Dahles 1987, 469. ↩︎
  8. Moling 2020; Wawatie & Pyne 2010. ↩︎
  9. Kretz 2010. ↩︎
  10. Marvin 2010. ↩︎
  11. Kiekert 2016. ↩︎
  12. Kowalsky 2010. ↩︎
  13. Magometschnigg 2008, 42. ↩︎
  14. Magometschnig 2008, 16; Xenophon 2024. ↩︎
  15. Kemperman 2012, 19. ↩︎
  16. Magometschnigg 2008, 16. ↩︎
  17. Cerulli 2012. ↩︎
  18. Kemperman 2021, 17; Magometschnigg 2008, 29. ↩︎
  19. Everdingen 1984, 34; Wittenboer& de Lane 2021. ↩︎
  20. Dahles 1987, 482; Everdingen 1984, 159-167. ↩︎
  21. Dahles 1987, 484. ↩︎
  22. Dahles 1987, 471. ↩︎
  23. Dahles 1987, 472; Dahles 1990. ↩︎
  24. Magometschnigg 2008, 35; Moling 2020. ↩︎
  25. Frevert 2020. ↩︎
  26. Kowalsky 2010. ↩︎
  27. Moling 2020. ↩︎
  28. lundáin-Agurruza 2010; Vitali 2010. ↩︎
  29. Ortega y Gasset 2007. ↩︎
  30. Essen 2018, 158; Moling 2020, 32. ↩︎