“Ethical Hunting is doing the right thing when no one else is watching, even if doing the wrong thing is legal.”

Aldo Leopold

Dit artikel is het originele, niet geredigeerde tweede deel van een tweeluik over het thema weidelijkheid, zoals ook gepubliceerd in De Jager, editie 9, september 2025. In dit artikel, zal de praktische toepassing van weidelijkheidsethiek worden behandeld. Tevens kunt u via de voetnoten de gebruikte literatuur terugvinden. Onder het kopje ‘bibliografie’ in de header van de website kunt u een uitgebreide literatuurlijst terugvinden.

In het eerste deel van dit tweeluik over weidelijkheid is de ontwikkeling van het weidelijkheidsbegrip uitvoerig besproken. Weidelijkheid omvat zowel wettelijke als morele regels, deels schriftelijk vastgelegd en deels ongeschreven. De conclusie van het eerste deel was dat weidelijkheid de ethisch juiste manier van de jachtbeoefening omvat, gebaseerd op een morele levenshouding en een bewuste levensstijl. Daarbij typeren beheersing, professionaliteit en verantwoordelijkheid de weidelijke jager. Op basis hiervan kan een voorlopige definitie worden gegeven van weidelijkheid:

Een onder jagers geldende private, ethische erecode die uit zowel uit wettelijke als morele, grotendeels ongeschreven principes bestaat, gebaseerd op specifieke waarden en normen die via rituelen, tradities en gebruiken tot uiting komen in het gedrag en gedachtegoed van de jager en die een product zijn van mentaal en fysiek bewust moreel handelen.”1

In dit tweede essay zal dieper worden ingegaan op de uitingsvormen van weidelijkheid bij de praktische beoefening van de jacht. Daarbij worden grofweg drie domeinen aangehouden waarop weidelijkheid van toepassing is, namelijk:

  • de natuurlijke omgeving
  • het wild
  • de medemens
Afbeelding 1: Fair Chase.
(illustratie door Leigh Guldig in The New York Times, 22 juni 2018).

Ecosysteem-breed

Weidelijkheid is niet zomaar een set regels die de jager moet leren navolgen, het is een specifieke manier van denken die moet worden geleefd en gevoeld. Weidelijk denken komt voort uit de liefde die de jager koestert voor de gehele biosfeer en alle levende wezens daarbinnen.2 Als die liefde er niet is, dan is het de vraag of een jager überhaupt weidelijk het veld ingaat.

Weidelijk jagen gaat over verbonden zijn met het ecosysteem en de grond waarop je jaagt. Menselijk handelen veroorzaakt, bewust en onbewust, schade aan de leefomgeving en de natuur. Een belangrijk doel weidelijkheidsdenken is het inperken van menselijk handelen, waarmee schade deze kan worden voorkomen. Dat vraagt om kennis en inzicht.3 De jager moet kennis opdoen van het wild en de gedragingen van de dieren, de seizoenen, wildhygiëne, landbouw en alle aspecten die samenhangen met het uitoefenen van duurzaam wildbeheer. De weidelijk jager neemt verantwoordelijkheid voor het jachtveld en voor de keuzes die gemaakt worden in het veld. Veel gevolgen van die keuzes zullen niet op korte termijn zichtbaar zijn en veel ontwikkelingen in het veld spelen zich af buiten het directe blikveld van de jager. Het overmatig bejagen van predatoren kan leiden tot grote veranderingen in het ecosysteem en een ziekgeschoten dier dat wegkomt sterft buiten de beleving van de jager een ellendige dood.4

De jager moet ecosysteem breed denken. Weidelijkheid gebied om meer te doen dan actief jagen. Weidelijke jagers zetten zich in voor duurzaam beheer in hun jachtveld en zorgen voor biodiversiteit in het veld door bijvoorbeeld goed biotoopbeheer en samenwerking met agrariërs en natuurbeheerders. Denk hierbij aan het aanleggen van bloemenrijke akkerranden en wildakkers, snoeiwerkzaamheden, het uitvoeren van wildtellingen, ecologisch verantwoord maaien, het opsporen van nesten en reekalveren voor de uitvoer van agrarische werkzaamheden en het samenwerken in de reductie van invasieve soorten.

De grootste invasieve soort is de mens zelf. Flora en fauna hebben rust en ruimte nodig en het is belangrijk dat de jager zich hiervoor inzet in het veld. Enerzijds door zelf niet doorlopend in het veld aanwezig te zijn, vooral niet met voertuigen, en anderzijds door bijvoorbeeld het gesprek aan te gaan met recreanten in het buitengebied die hun bezigheden uitoefenen buiten de wandelpaden. Ook zal een weidelijke jager veldinrichtingen, zoals hoogzitten en jachthutjes, zo veel mogelijk aanpassen aan de omgeving, zodat deze niet verstorend werken. De weidelijke jager past zich dus aan het landschap en het wild aan, niet andersom.5

Weidelijke jagers zorgen voor een goede wildstand en schieten alleen waar en wanneer dat nodig is. Zieke en zwakke dieren en invasieve exoten worden daarbij vaak eerder geschoten dan jonge, gezonde dieren. Uiteraard worden geen afval, patronen, hagelproppen of kogelhulzen achtergelaten. Het gebruik van bio-afbreekbare munitie krijgt steeds meer navolging in Nederland, een goede ontwikkeling in dit opzicht.

Passie en beheersing

Jagd is Leidenschaft”, oftewel: “Jacht is passie,” is een leuze die in Duitsland en Oostenrijk door veel jagers en jachtorganisaties wordt gebruikt. ‘Jachtpassie,’ wordt bij jachthonden vaak aangeduid als de drang om te jagen, maar in de context van ‘Leidenschaft’ betekent passie dat jacht meer is dan die drang; het is een manier van leven met specifieke opvattingen, gebruiken en tradities. Jagen gaat niet om het schieten of het doden van het wild, het gaat om het opdoen van ervaringen en bewust deel te nemen aan de natuur.6 Het enthousiasme van de jager en de drang om te jagen worden gereguleerd en ingeperkt door de weidelijkheidsregels. De jachtpassie moet ondergeschikt zijn aan goed faunabeheer. Weidelijkheid vraagt om voortdurende reflectie, de jager denkt na over zijn handelen en beperkt zichzelf bewust uit liefde en passie voor het wild en de natuur. Hier krijgt ’passie’ dus een heel andere betekenis. Een weidelijk jager wil zich intrinsiek inzetten voor de natuur en het wild. Uiteraard moet de jager wel de intentie kunnen hebben om te doden om ook daadwerkelijk gejaagd te hebben, maar het doden van dieren is geen doel op zichzelf. Als er uiteindelijk geschoten kan worden, dan moet dit veilig en verantwoord gebeuren, zonder onnodig lijden te veroorzaken. Wederom: de jager neemt hier de volle verantwoordelijkheid voor zijn acties!7

Afbeelding 2: Respect voor het wild.

Wettelijk en veilig

Vuurwapenbezitters hebben in Nederland een uitzonderingspositie binnen de wet. Zij mogen een vuurwapen dragen. Jagers hebben nog eens het bijzondere privilege dat ze een vuurwapen mogen dragen in het vrije veld. Dat verplicht hen om zich op een juiste wijze op te stellen ten opzichte van de samenleving, zowel tijdens de jacht als daarbuiten. Uiteraard volgt de weidelijke jager de geschreven jachtwetten en jaagt binnen de jachtseizoenen en de aangewezen periodes voor schadebestrijding op de aangewezen wildsoorten. Daarbij worden strenge veiligheidsregels in acht genomen.

Er zijn echter een hoop ongeschreven weidelijkheidsprincipes die niet in de wet zijn opgenomen. Ze zijn vaak afhankelijk van de plaatselijke context en omstandigheden. Hier doet weidelijkheid een beroep op de morele houding van de jager. Hierbij is de stelregel: “Omdat iets wettelijk mag, betekent het niet dat dit ethisch verantwoord is!”8

Enkele voorbeelden. Het schieten van een hoogdrachtige reegeit is weliswaar praktisch en wettelijk toegestaan, maar moreel gezien erg twijfelachtig. Het schieten van een moederdier met een jong dier erbij is niet wettelijk verboden, maar weidelijk gezien is het verwerpelijk. Er zijn vaak genoeg alternatieven, zoals het schieten van een zwak of ouder dier. Denk bijvoorbeeld ook aan de ganzenjacht. In het kader van schadebestrijding mag de jager vrijwel onbeperkt schieten op schadeveroorzakende ganzen. Dat betekent echter niet dat alle ganzen die binnen schot komen moeten worden geschoten! Schadebestrijding op wilde zwijnen met technologische voordelen, zoals het gebruik van warmtebeeldrichtkijkers of het schieten vanuit een voertuig is soms toegestaan. Maar is het eerlijk ten opzichte van het wild? Is het weidelijk? Stuk voor stuk zijn dit ethische vraagstukken waarbij een weidelijk jager te rade moet gaan bij zichzelf en zijn eigen morele kompas, toegepast op een specifieke situatie in een specifieke context. Wat zou u doen en kunt u dat voor uzelf verantwoorden?

Edel wild, eerlijke kans.

Uit de bovenstaande voorbeelden blijkt dat het voorkomen van onnodig lijden bij het wild erg belangrijk is binnen het weidelijkheidsdenken. Dat lijden kan primair zijn door een slecht geplaatst schot, maar ook secundair door bijvoorbeeld het verlies van een soortgenoot of ouderdier. Ook het laten lopen van een sterk verzwakt of verouderd dier terwijl dit beter geschoten kan worden, veroorzaakt onnodig lijden.

De respectvolle omgang met het wild is vanzelfsprekend het allerbelangrijkste aspect van weidelijkheid. Uiteindelijk jaagt men om te zorgen voor betere leefomstandigheden voor zowel het wild als de omgeving. Daartoe zal een weidelijk jager de dieren in het veld goed observeren, de sociale verhoudingen tussen de dieren proberen te begrijpen, juiste en volledige wildtellingen uitvoeren, het wild verzorgen door bijvoorbeeld de aanleg van wildakkers en rustplaatsen en uiteindelijk genieten van de ontmoetingen met de levende wilde dieren. Dat vergt wederom veel beheersing, kennis en kunde.

De jager weet waarop hij schiet en maakt bewust de keuze om een specifiek dier te schieten in het kader van goed faunabeheer. Daarbij gelden verschillende ongeschreven weidelijkheidsregels, bijvoorbeeld: vliegwild schiet je vliegend, lopend wild terwijl het loopt en grofwild wanneer het stilstaat. Jonge dieren en niet-vliegvlug veerwild worden gespaard. Het dier wordt juist ‘aangesproken’ alvorens de jager tot schot komt. Hij is zich hierbij bewust van de gevolgen van het schot. Primair lijden veroorzaakt door het handelen van de jager ligt voornamelijk bij het ondoeltreffend raken van een dier. Daarom moet een jager geoefend zijn met het wapen dat gebruikt wordt en zijn eigen tekortkomingen bij het schieten erkennen.

De weidelijke jager gebruikt juiste munitie en schiet alleen wanneer het schot doeltreffend kan worden geplaatst met een snelle dood van het dier tot gevolg. One shot, one kill. Schieten op te grote afstanden is daarom risicovol, tenzij het wapen en de kunde van de jager zulke schoten toelaten. De weidelijke jager kiest bij grofwild altijd voor het bladschot, zodat het dier bij een goede treffer direct of kort na het schot sterft. Na het schot is het dier vaak in shock en zal dan ook minder pijn ervaren.

Kopschoten dienen in het kader van weidelijkheid te worden vermeden. Niet alleen brengt een kopschot het risico van een vreselijke verwonding met zich mee als het dier het schot overleeft, het is in veel jachtculturen ook nog eens een taboe.9 De ogen en het gezicht van het dier worden gezien als iets sacraals, de jager moet het dier immers van aangezicht tot aangezicht aankijken, er is wederzijdse symmetrie tussen de jager en zijn prooi. Daar komt dan ook de term ‘aanspreken’ vandaan. De jager gunt zijn prooi een laatste blik op de wereld, zo stelt filosoof Byung-Chul Han. Die laatste aanblik, ook wanneer een gestorven dier ritueel in bezit wordt genomen vanuit de natuur, is van de jager.

Komt het schot toch verkeerd af, dan zal de jager alles in het werk stellen om het dier zo snel mogelijk op te sporen en uit het lijden te verlossen, ook als kost dit vele uren! Een weidelijke jager zal altijd beschikken over een goede hond voor de nazoek en anders in ieder geval in contact staan met een goede, beschikbare nazoeker en zweethond. De jacht is pas voorbij als alle beschoten dieren en alle nazoekende honden en jagers binnen zijn.

Afbeelding 3: Letzter Bissen.

Een ander aspect van weidelijkheid is het fair chase-principe: het wild een eerlijke kans gunnen om te ontsnappen.10 Dieren worden niet ingesloten of in het nauw gedreven. Zelfs bij druk- en drijfjachten moeten dieren uit de drift kunnen ontsnappen als ze snel en slim genoeg zijn. Bij de aanzitjacht zijn de dieren in het voordeel, omdat ze als vlucht- of roofdier beschikken over beter zintuigen dan de jager. Is de jager niet stil genoeg of de dieren krijgen lucht van de jager, dan kunnen ze vluchten. Tegenwoordig beschikt de jager over allerlei hulpmiddelen om effectiever te jagen. Waar men vroeger grofwild bejoeg bij maanlicht, heeft de jager tegenwoordig beschikking over nachtzichtapparatuur. Is dat weidelijk? Krijgt het wild een eerlijke kans? Weidelijkheid gebiedt de jager immers om zichzelf op dit gebied te beperken en zich niet superieur op te stellen ten opzichte van het dier.

In dit geval helpt nachtzichtapparatuur wel om een dier beter aan te spreken en te identificeren, wat de weidelijkheid ten goede komt. Het gebruik van thermische richtkijkers is in het kader van weidelijkheid problematischer. Waar de jager met een nachtzichtkijker nog steeds een goed oog voor het wild nodig heeft om dieren te herkennen, gunt de warmtebeeldkijker de jager een enorm voordeel op het wild. Dieren kunnen zich niet meer verstoppen in de dekking en zijn erg makkelijk waar te nemen. Kunnen we bij het gebruik van warmtebeeldkijkers nog wel spreken van weidelijk handelen? Verwordt het jagen niet van een vaardigheid die kennis en kunde vergt tot een kunstje voor de jager met het duurste speelgoed? Die vraag leg ik bij u neer.

Eerbied na het schot

Is het dier geschoten, dan gaat een weidelijk jager er met respect mee om. Met een geschoten dier wordt niet gegooid, men stapt niet over het wild heen en men probeert het zo respectvol mogelijk te vervoeren. Kleinwild, gevogelte en reeën moeten bijvoorbeeld niet worden gesleept. Zoals de Oostenrijkse jachtauteur Dr. Michael Sternath stelt: “Als je het dier kunt schieten, dan kun je het ook dragen.”11 Een wild zwijn daarentegen kan bijvoorbeeld het best op een wildslee worden vervoerd.

Ook het toepassen van de juiste jachtrituelen, zoals de letzter bissen, de breuken en het tableau spelen een grote rol bij weidelijk handelen. Het dier ligt op de rechterzijde, met het hart en de linkerzijde naar de hemel. De linkerzijde wordt in veel culturen als ‘minder’ of ‘onrein’ beschouwd, waar de rechterzijde juist de ‘goede’ of ‘mooie’ kant is. Het dier blijft, tot de jager het in bezit neemt, met de mooie kant verbonden met de aarde waarop het geleefd heeft. De jager draagt traditioneel gezien het geweer ook over de linkerschouder en brengt een heildronk uit met de linkerhand, de minder goede kant die met de dood verbonden is als teken van verzoening.12

Het blazen op een jachthoorn, ook wanneer een jager alleen in het veld is, zorgt voor een bijzondere vorm van verdieping. Zijn er andere jagers bij, dan nemen zij hun hoed af. Is er een zweethond aan te pas gekomen om het dier op te sporen, dan krijgt deze een deel van de buitbreuk. Jachtauteur Magometschnigg stelt dat een weidelijk jager altijd over een hoofddeksel moet beschikken waar een buitbreuk op kan worden geplaatst. De jager zal zichzelf overigens niet smukken met vreemde veren en dus geen breuken, veren, of wildbaarden of – borstels op zijn hoed dragen van dieren die hij niet zelf geschoten heeft. In mijn artikel over jachtrituelen (aprilnummer 2025) is te lezen dat dit soort rituelen vooral bedoeld zijn om op een juiste manier om te gaan met het wild en de medejagers en hoe ze vormend zijn voor de jagersgemeenschap. Ze zijn daarmee een expliciete uiting van weidelijk handelen. Een weidelijk jager heeft ontzag voor het offer van het geschoten dier (offer komt van ‘sacrificium’, ofwel ‘het voortbrengen van heilige dingen’) en zal dan ook met respect en dankbaarheid zo veel mogelijk van het dier gebruiken als voedsel en materiaal.13

Afbeelding 4: Het wild benutten in dankbaarheid

Medemenselijkheid

Tenslotte is er het derde weidelijkheidsdomein: de medemens. Een weidelijk jager stelt zich hoffelijk op ten opzichte van andere jagers, grondgebruikers, terreinbeheerders, natuurrecreanten en de samenleving in het algemeen.14 Hij respecteert de grond waarop hij jaagt en de mensen die er leven. Hij zal andermans eigendommen niet beschadigen of asociaal gedrag vertonen door bijvoorbeeld hard te rijden op de wegen rond het jachtveld of door ruzies aan te gaan met anderen.

Een weidelijk jager zal zo een fatsoenlijk beeld van de jacht uitdragen en hoeft zich niet te schamen om over de jacht te praten. Meningsverschillen, zowel met medejagers als met tegenstanders van de jacht, moeten op een degelijke wijze worden besproken. Het gaat er niet om de ander te overtuigen, een weidelijk jager kan immers op basis van zijn eigen morele kompas en diepgaande kennis voor zichzelf verantwoorden waarom hij jaagt.

Een weidelijk jager respecteert niet alleen de mening van een ander, maar ook de grenzen van het jachtveld en van andere jagers. Hij gunt medejagers hun jachtsucces en gunt hen op jacht ook eerlijke kansen om tot schot te komen. Aanwijzingen van de jachtleider worden strikt opgevolgd en een weidelijk jager bedankt ook altijd degene die hem voor de jacht uitnodigt.

Ook op de sociale media, waar digitaal geschreeuw en moddergooierij aan de orde van de dag zijn, dient een weidelijk jager zich coulant op te stellen. Denk daarbij ook aan beeldetiquette, veel mensen zitten bijvoorbeeld niet te wachten op foto’s van dode dieren op hun beeldscherm. Kemperman hanteert de stelregel: “Zou je deze foto aan je collega’s of aan kinderen laten zien?” Is het antwoord “Nee”, dan is het waarschijnlijk geen geschikt beeld om in het openbaar te delen.

Uit de lengte van dit essay blijkt maar weer dat weidelijkheid een diepgaand en uitgebreid thema is, dat constant in beweging is en altijd sterk afhankelijk is van de ruimtelijke en sociale context. Weidelijkheid scheidt de jagers van de ‘schieters.’ Het scheidt pragmatiek van bezieling.  Het is een rituele uiting die, om met de woorden van Kierkegaard te spreken, een vorm is van ‘voorwaarts herinneren.’ Het is een complex geheel van fatsoensnormen, rituelen, wetten en regels die vanuit onze jachtpassie en -traditie de leidraad zijn voor een ethisch verantwoorde en houdbare manier van jagen, in mijn ogen de enige juiste manier van jagen.


  1. Definitie door auteur. ↩︎
  2. Moling 2020, Vitali 2010. ↩︎
  3. Ortega y Gasset 1972. ↩︎
  4. Kowalsky 2010, Moling 2020. ↩︎
  5. Herberstein et al 2008. ↩︎
  6. Kowalsky 2010, Leopold 1989. ↩︎
  7. Herberstein et al 2008, Moling 2020, Kover 2010, Kowalsky 2010. ↩︎
  8. Leopold 1989, Thomas 2022. ↩︎
  9. Zie o.a. Han 2025. ↩︎
  10. Moling 2020, Vitali 2010. ↩︎
  11. Herberstein et al, 2008. ↩︎
  12. Magometschnigg 2008. ↩︎
  13. Han 2025. ↩︎
  14. Kemperman 2021. ↩︎